Er zijn nog grafstenen van Duitse zendelingen en familie te zien op het binnenterrein van het hoekpand van de EBGS – Maagdenstraat / Steenbakkerijst
Fostenallemaal
Prins Bernhard en Suriname
Tijdens de tweede wereldoorlog bezocht Prins Bernhard in de West de laatste stukken vrij Nederland. Hij zou hierna Suriname nog meerdere malen bezoeken en zijn naam is er onder andere verbonden aan de Prins Bernhard Proefpolder.

Het huidige Prins Bernhard Cultuurfonds werd op 10 augustus 1940 in Londen opgericht onder de naam ‘Spitfire Fund’. Het initiatief werd in Suriname opgepakt door Jan Wijngaarde en leidde tot het inzamelen van 5000 pond sterling (38.000 gulden) dat werd gestort in het Prins Bernhardfonds. De prins bedankte voor de bijdrage en zou deze doen toekomen aan de Britse regering met het verzoek het vliegtuig de naam “Suriname” te geven.
Tijdens WOII bezocht prins Bernhard in 1942 Suriname, waarbij hij onder andere de Hoogduitse Synagoge en de bauxietmijnen bezocht. Een jaar later volgde Juliana zijn voorbeeld. Bij een later bezoek aan Suriname zou Prins Bernhard uitdrukkelijk gevraagd hebben om kennis te mogen maken met de moeder van Harry Frederik Voss (1912-1943) die symbool staat voor alle Surinamers die zijn gevallen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nadat hij in 1942 door de Japanners gevangen was genomen werd hij op 29 mei 1943 is te Kota Tjane in Atjeh geëxecuteerd. Hij stierf met de woorden “Leve de Koningin” op zijn lippen.
Een van de initiatieven die na de tweede wereldoorlog moest bijdragen aan de economische ontwikkeling van Suriname was de Prins Bernhard proefpolder. De Prins bezocht zelf in 1950 dit project.Voor de aanleg van de polder werd in Nickerie een stuk bos opgeofferd. Bij zijn bezoek aan Ganzee werd hij datzelfde jaar ontvangen door hoofdkapitein Egmund en de kapiteins Alexander en Cyrenius. Hij liet na dit bezoek een bronzen kanon in het dorp bezorgen met de initialen PB ten einde saluutschoten te kunnen afvuren
In 1963 was er in het Nederlandse Zwolle een Suriname-tentoonstelling genaamd Mamio, die werd geopend door Prins Bernhard. Hij opende de tentoonstelling door het doorhakken van een liaan, met een hakmes dat hem was aangeboden door de in Nederland studerende studente Trudy Guda uit Paramaribo.Ten tijde van operatie Gwamba werden onder leiding van de Amerikaan John Walsh bij Operatie Gwamba in 1965 zo’n 9700 dieren van een verdrinkings. of hongersdood gered. De actie werd in september 1965 met een bezoek vereerd van Koningin Juliana en Prins Bernhard, die destijds voorzitter was van het WWF.
Hoofdkapitein Treu
Medio 20ste eeuw werd door fotograaf Willem van de Poll te Ganzee onder andere de lokale hoofdkapitein Treu geportretteerd. Diens kleding was belangrijk om gezag uit te dragen.
In 1923 was bij Ganzee sprake van een ernstig geval van mishandeling nadat de jongeling Atjetjekonda zich schuldig had gemaakt aan overspel. De dienstdoende agent A. Wolff kon zijn gezag onvoldoende duidelijk maken zodat de daders buiten schot konden blijven.
Kapitein Treu deed vervolgens een appel aan Wolf zich door de gouverneur te laten voorzien van een fatsoenlijke pet en een opdracht van het gouvernement tot medewerking gericht aan Groot-opperhoofd Jankoesoe.
In 1949 bezocht de toenmalige burgemeester van Amsterdam d’Ailly Ganzee. Hem kwam ter ore dat van een van de kapiteins de pet niet meer voldeed. De burgemeester regelde vervolgens dat door Districts-commissaris Michels drie nieuwe petten voor de kapiteins van Ganzee werden bezorgd.
In 1950 werd bij zijn bezoek aan Ganzee Prins Bernard ontvangen door hoofdkapitein Egmund en de kapiteins Alexander en Cyrenius. Hij woonde een kerkdienst bij onder leiding van zendeling Mittemeyer en voorganger Leerdam en hoorde het Wilhelmus vierstemmig zingen door de kinderen van het dorp.
Egmund Jozef Treu was ten tijde van het nemen van onderstaande foto 73 jaar en droeg als teken van zijn waardigheid een koperen plaat met het Rijkswapen.

Auteur: Nico Eigenhuis
Het verzonken dorp
Wie in Suriname op het stuwmeer heel goed luistert kan ter hoogte het voormalige dorp Ganzee de kinderen nog op het schoolplein horen spelen. Het is dan ook lastig voor te stellen dat de inwoners van dit dorp terecht zijn gekomen in het transmigratiedorp Nieuw-Ganzee.
Ganzee was een van de dorpen waar begin 19e eeuw de EBG evangeliste Maria Hartmann- Lobach actief was. Ze arriveerde in 1826 met haar man in Suriname en richtte haar zendingswerk onder andere op de dorpen Koffiekamp (ofwel het kamp van Kofi) en Ganzee. Ze hield zich vooral bezig met onderwijs als zendingsmiddel. Overdag onderwees ze de kinderen en ’s avonds de volwassenen in lezen, schrijven, rekenen en vooral Bijbelse geschiedenis. Maria Hartmann overleed in 1853.
Ganzee werd begin 19e eeuw een van de haltes van de van de door Cornelis Lely aangelegde spoorweg naar de goudvelden, de Goudlijn. De oorspronkelijk geplande spoorlijn zou zo’n 350 km landinwaarts voeren. In 1903 werd met de aanleg begonnen, waarbij vooral Javanen en Curaçaose zeelieden werden ingezet. Uit zuinigheidsoogpunt werd het uiteindelijk gerealiseerde 173 km lange traject van Paramaribo naar Dam, de zogenaamde goudlijn, halverwege onderbroken door een onlosmakelijke verbinding in de vorm van een kabel-baan over de rivier bij het toepasselijk genoemde plaatsje Kabel.
In 1950 bezocht Prins Bernard het dorp, waarbij hij de kapitein een kanon beloofde om saluutschoten mee te kunnen afschieten. De gouverneur liet hierop direct een klein kanon bezorgen, maar enkele maanden later arriveerde een klein bronzen kanon met daarop de initialen PB. Het werd door DC Michels en Lt. Quintus Bosz bezorgd.
Coen Ooft schreef in 1959 over zijn bezoek aan het gebied ”Bij ieder dorp moesten wij aan iets anders denken. Te Ganzee, dat er daar geen kranten zijn, vol stekelige artikeltjes, waarmee de een het leven van een ander laf verzuurt. Te Lombé, dat er daar geen fietsen en auto’s zijn, waarvoor men nog een ‘penning’ kopen moet. Te Berg-en-dal, dat er geen verkeersader is en ook geen spanhoek, waar een vlag het aantal doden van het roekeloze verkeer registreert. Te Carolina, dat er daar nog geen Gouvernements-bureau is, waar een aantal ambtenaren moedwillig luiert. Dit alles is er niet dachten wij; misschien een tekort? Maar rondziende zagen wij de rijkdom die er aanwezig is in de vorm van natuurschoon, bosgeluiden, en schilderachtige weerkaatsingen van het zonlicht in het groen en op het wassende water.”
Auteur: Nico Eigenhuis