taal, language


Ritueel badhuis

 

Ritueel badhuis bij de Synagoge aan de Keizerstraat te Paramaribo….ca 1966

 

 

 

 

Watermolenstraat plein

 

Reusachtige boom op het plein op de kruising Watermolenstraat en Grote Hofstraat in 1968

 

Op het plein de reusachtige mooie boom

 

 

 

Susanna Legina

 

 

Susanna Legina

Bij de dood van Boni in 1793 werd een belangrijke rol gespeeld door ‘ma’ Susanna Legina. Zij zag kans om de tapu (bescherming) van Boni te doorbreken.

 

Nadat Boni’s zoon Agosu in 1792 tevergeefs had getracht om met het gouvernement tot een vredesovereenkomst te komen richtte hij zijn frustraties op de Ndyuka, van wie hij vond dat ze met hun neutrale opstelling Stoelman faciliteerden. Agosu pleegde in 1792 een overval op het Ndyuka-dorp Amimbaw. Hierna zouden de Ndyuka hun neutraliteit laten varen en tegen de Aluku/Boni ten strijde trekken.

 

Om Boni te kunnen overwinnen werd in 1793 door Ndyuka-leider Bambi een beroep gedaan op Susanna Legina. Zij speelde in de strijd tegen de Boni een rol die haar binnen de Ndyuka-gemeenschap legendarisch maakte.

 

Zij maakte gebruik van het Mutombe obiya, waarna een wonderschone vrouw Boni verleidde en kans zag om de in zijn bezit zijnde geprepareerde kogel die hem bescherming bood te ontfutselen. Het genoemde Mutombe obiya maakt het mogelijk dat een aap in een mens verandert. Het verhaal wil dat geen mens Boni kon bestrijden, en de wonderschone vrouw die Boni verleidde feitelijk een aap was.

 

Susanna Legina was trots op haar rol in haar strijd tegen Boni en verwierf hierdoor veel aanzien, maar zou hierna worden omgebracht door jaloerse vrouwen in haar directe omgeving.

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

 

Agosu Na de val van fort Buku

 

 

Agosu

 

Na de val van fort Buku in 1772 voegden de marronstrijders van Boni, de Boni’s, zich bij de groep van de oudere marron-leider Aluku. Boni werd nadien ook bijgestaan door zijn zoon Agosu. In de regio waar ze terecht waren gekomen was er hierna sprake van de nodige spanningen tussen de Aluku en de ‘bevreedigde’ Ndyuaka.

 

Boni’s zoon Agosu was betrokken bij meerdere overvallen op plantages. Omdat de Boni-strijders steeds meer in het nauw werden gedreven zou Agosu in 1792 met Stoelman in gesprek gaan over een mogelijke vredesovereenkomst met het gouvernement voor de Aluku/Boni. De sentimenten ten aanzien van de groep van zijn vader Boni waren op dat moment zodanig dat Stoelman Agosu de deur wees.

 

In 1793 zou Stoelman Ndyuka-leider Bambi voor zijn kar spannen om Boni te overwinnen. Bambi zou om de tapu (bescherming) van Boni te doorbreken onder andere worden bijgestaan door Susana Legina. Na de dood van Boni zouden de Aluku/Boni onderworpen zijn aan de Ndyuka, een situatie die zou duren tot gouverneur Lansberge in 1860 een deal zou sluiten de Aluku (de voormalige Boni-strijders) opdat er weer rust zou komen in de regio.

 

Na de dood van Boni in 1793 was Agosu de leider van de Boni-strijders en was de rust in de regio nog niet weergekeerd. Kennelijk was dit voor het gouvernement reden om Bambi nog niet te voorzien van de aan hem door de gouverneur in het vooruitzicht gestelde beloning voor het bestrijden van Boni. In 1810 werd ook Agosu gedood door de Ndyuka in zijn dorp Bronkondre.

 

In het jaar 1812 kreeg het Groot-opperhoofd der Ndyuka, Bambi, alsnog van het gouvernement een gedenkteken uitgereikt: een zilveren ringkraag met een schild, naar aanleiding van zijn overwinning in 1793 op Boni en Courmantin Codjo.

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

Discriminatie te Moengo

 

 

Discriminatie te Moengo

 

Los van het personeelsbeleid bij de SBxM te Moengo deed zich in 1950 de vraag voor of de creolen te Moengo van landswege werden achtergesteld. De vraag betrof de woningvoorziening te Wonoredjo.

 

Wonoredjo behoorde tot de dorpsgemeenschappen die in de tijd van gouverneur Kielstra in Suriname waren ontstaan in zijn poging om ‘van de West de Oost te maken”. Het dateert uit de tijd dat er in Amsterdam nog een Landbouwmaatschappij en Suikerfabriek met de naam Wonoredjo gevestigd was met plantages in ‘de Oost’.

 

De door Kielstra in Suriname aangevoerde Javanen die op Moengo kwamen te werken werden in die tijd in de gelegenheid gesteld om ter plekke een woning te betrekken en konden daarbij beschikken over een stuk land om landbouw of veeteelt te bedrijven.

 

Voor de creoolse gemeenschap betekende dit in de praktijk een achterstelling omdat voor hen een dergelijke faciliteit ontbrak. Voor de SBxM die in die tijd alle bauxietarbeiders tevreden wilde stellen was het ontbreken van een dergelijke faciliteit een gemis, en de roep om de woningen vrij te geven werd dan ook van die zijde ondersteund.

 

In de periode waarin dit speelde was er sprake de mogelijke komst van een groot aantal Indo-Europeanen naar Suriname. De onafhankelijkheid van Indonesië betekende dat er gesproken werd van de mogelijke komst van totaal 250.000 personen naar Suriname. Uiteindelijk bleef hun aantal beperkt.

 

In 1951 deed Fred J.A. Murray, destijds statenlid van het district Marowijne, de oproep de dorpsgemeenschap Wonoredjo op te heffen, omdat deze dienst deed als ‘reservaat van Javaanse arbeiders van de bauxietmaatschappij’. Wonoredjo zou tot vestigingsplaats moeten worden gemaakt, opdat er ruim dertig creoolse medewerkers van Moengo konden worden gehuisvest.

 

Moengo in 1928 op het terras van Casa Blanca

 

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

O’Neill, Lashley, Leetz dezelfde familie

 

 

O’Neill en Lashley

Leetz en Lashley betreft een en dezelfde familie; de naam wordt op verschillende wijzen geschreven. De Surinaamse gemanumitteerde Alexandrina Leetz kende eind 19e eeuw een relatie met een O’Neill. Hierna waren de beide namen nog vaker aan elkaar te koppelen.

 

Alexandrina Leetz (1834-1923) is als geboren onder de naam Alexandrina op Plantage Good Intent te Nickerie. In 1862 was ze werkzaam op Anthony Desse’s plantage Paradise en werd ze onder de naam Leetz gemanumitteerd samen met haar in 1860 geboren dochter Jessie. Ze krijgt hierna een relatie met een O’Neill met wie ze een zoon Francis krijgt.

 

Francis O’Neil Nicolaas Lashley (1872-1940) nam in 1899 deel aan de Balata Co. Suriname. In 1910 waren er maar liefst 2600 balata-bleeders in Nickerie werkzaam. Hierna zette een teloorgang in die werd gevisualiseerd toen in 1929 een boot met 3000 kilo Balata van Lashley aan boord tot zinken kwam Naar Lashley is in Nieuw-Nickerie de Lashleystraat vernoemd.

 

Een zoon van Francis, te weten Leo Lashley (1903-1980), kwam van Suriname naar Nederland om in Utrecht medicijnen te studeren en werd hierna oogarts in Rotterdam. Tijdens kwam hij in Rotterdam in het verzet en bezorgde onderduikers veilige adressen. ook hielp hij bij de bevalling van een Joodse onduiker.

 

In 1931 en 1932 trad Leo Lashley met veel succes op als acteur op in het toneelstuk “The emperor Jones” dat dateert uit 1920 en is een toneelstuk van een schrijver met een bekende naam: Eugene O’Neill.

 

Lashley speelde de rol in navolging van de Afro-Amerikaanse toneelspeler Charles Sidney Gilpin (1876-1930), die belangrijke rollen speelde in kritische stukken in New York, zoals in 1919 in het stuk Abraham Lincoln en in 1920 in The Emperor Jones van Eugene O’Neill.

 

Charles Sidney Gilpin werd als eerste zwarte acteur genoemd in de rij met 10 belangrijkste Amerikaanse theatermensen. Gilpin kreeg hierna ruzie met O’Neill omdat hij wenste dat het woord ‘negro’ uit het stuk werd geschrapt. Hij werd hierna uit zijn rol gezet en ging zwaar aan de drank. Gilpin overleed in 1930. In 1991 werd hij opgenomen in the American Theatre Hall of Fame.

Gilpin als The emperor Jones.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

Zwarte slaven in Nederland

 

Zwarte slaven in Nederland

 

Al in het Nederland van de 17e en 18e eeuw was de aanwezigheid van zwarte of gekleurde mensen in het straatbeeld, zeker in Amsterdam niet geen grote zeldzaamheid. Men denkt vaak dat dit altijd vrije mensen waren, op grond van het feit dat Nederland officieel in het moederland geen slavernij kende. Toch is dit niet waar, zoals uit onderstaand stuk blijkt.
Wanneer een land vroeger elders een kolonie stichtte, gold als regel dat de wetten van het moederland ook in die kolonie van kracht werden. In de praktijk bleek dit lang niet altijd het geval.

Toen Nederland in 1667 in bezit kwam van de kolonie Suriname, was daar al een uitgebreid systeem van slavernij, hoofdzakelijk in de vorm van plantagearbeiders. Een kleiner aantal was werkzaam als huisslaven, in het algemeen een mildere vorm van slavernij. Slavernij, overigens, was iets waar de Nederlanders, op grond van kolonies elders, al vertrouwd mee waren. Bovendien hadden Nederlanders al een zekere faam als slavenhandelaars.

Wanneer eigenaren met slaven als huisbedienden naar Nederland reisden, waren deze daar dus in principe vrije mensen.Toch werden ze in de praktijk nog vaak als eigendom behandeld. Men leest ook wel dat het recht op vrijheid binnen de Nederlandse landsgrenzen alleen werd ingewilligd als een slaaf daar actief om vroeg. Hoeveel betrokkenen zich dat recht realiseerden is twijfelachtig. Hoe dan ook, lang is gedacht dat er geen slavernij was in de Nederlanden, omdat dit bij de wet niet bestond.
Uit het Amsterdams Stadsarchief blijkt dat dit een misvatting is. Er waren, zeker vanaf 1776 wel degelijk zwarte en gekleurde slaven in de Nederlanden.

Hoe dit mogelijk was, is ook terug te vinden in dat archief.

Hieruit blijkt dat in mei 1776 een wet aangenomen werd die speciaal gericht was op slaven die naar Nederland gereisd waren in gezelschap van de slavenhouder. Bepaald werd dat ze tot zes maanden na aankomst nog gevangen bleven in slavernij, tenzij de slavenhouder ze de vrijheid schonk. Wanneer eigenaren aannemelijk konden maken dat de noodzaak bestond dat de termijn verlengd moest worden, kon de rechter besluiten deze periode nog eens met zes maanden te verlengen. Deze situatie deed zich voor wanneer de eigenaren van plan waren binnen die tweede periode met hun slaaf terug te keren naar de kolonie.
Waren ze na deze tweede periode van zes maanden nog in Nederland waren dan moesten ze onherroepelijk hun vrijheid krijgen.
Deze regel gold overigens niet voor slaven die uit Suriname gevlucht waren en als verstekeling hier waren gearriveerd. Zij werden altijd teruggestuurd.

 

Of deze wet op enig moment actief is ingetrokken, of pas bij de afschaffing van de slavernij zijn kracht verloor, is niet bekend.

 

 

  Auteur: Jacob van der Burg

Casa Blanca

Casa Blanca

Casa Blanca -het witte huis- de directeurswoning te Moengo staat symbool voor het belang van de bauxietwinning aldaar. Het is op een vreemde manier te verbinden aan de stad Casablanca in Marokko.

De plaats Moengo in het begin van de 20e eeuw gesticht, nadat in 1916 de Surinaamsche Bauxiet Maatschappij (SBxM) in het gebied winbare voorraden bauxiet had ontdekt. Aanvankelijk was Moengo alleen via de rivier bereikbaar.

Begin twintigste eeuw werd een weg naar Albina aangelegd, eerst in de vorm van het Struycken-pad, daarna de Weyne-weg. De Cotticariver werd bevaarbaar gemaakt voor zeeschepen die te Moengo de bauxiet kwamen ophalen.

Tijdens de tweede wereldoorlog werd de productie op Moengo tot een maximum opgevoerd, om zo veel mogelijk aluminium te kunnen produceren voor de vliegtuigindustrie van de geallieerden. De hoge werkdruk leidde ertoe dat -ondanks de uitzonderlijke oorlogssituatie- door de arbeiders besloten werd in 1941 en 1942 het werk neer te leggen. Na het uitbreken van de stakingen moeten de toenmalige autoriteiten, en met name gouverneur Kielstra, zich gedwongen hebben gevoeld zo snel mogelijk in te grijpen.

Er werd te Moengo overgegaan op arrestaties en ontslagen, en om de bauxietproductie niet te laten stagneren werden de werkzaamheden overgenomen door de toch al aanwezige Amerikaanse en Nederlandse militairen. Die waren daarin verband met de kans op sabotage van de transportschepen, die ter plekke een lastige draai moesten maken. Ook was er de dreiging van aanvallen door de Duitsers , bijvoorbeeld vanuit de lucht middels een aanval vanuit Frans Guyana waar de loyaliteit net zo verdeeld was als in het thuisland Frankrijk.

Op 15 januari 1943 crashte bij Bakkie een Amerikaans vliegtuig met aan boord 35 personen. Het betrof het ondersteunende team van president Roosevelt, die op weg was naar een conferentie in het Noord-Afrikaanse Casablanca. Tijdens het vliegen over Suriname explodeerde het vliegtuig in de lucht, viel uiteen en stortte neer. Twee identieke C-54-vliegtuigen die slechts een half uur vóór en na dit vliegtuig reisden, zagen afweervuur afkomstig van wat een vijandelijke onderzeeër leek te zijn

Twee maanden later, op 16 maart is er een oproer in Cayenne. Enigszins verdacht is het wel dat de betoging begonnen is bij het consulaat van het land dat zorgen heeft over zijn bauxietwinning, de Verenigde Staten. Met enkele hoge ambtenaren en hun echtgenotes zou de Franse gouverneur Veber onder bescherming van ook Nederlandse militairen, via Paramaribo, naar Puerto Rico verdwijnen. Na diens vertrek komt Jean Alexandre Léon Rapenne aan het bewind in Cayenne. De United States Air Force krijgt van hem toestemming tot de aanleg van Airport Cayenne Rochambeau.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

F.O. Lashley De Balata industrie

 

 

F.O. Lashley

De Balata industrie nam in Guyana tussen 1890 en 1920 een grote vlucht en kwam ook in Suriname tot bloei. Tot de industriëlen die zich er in Suriname mee bezig hielden behoorden Wix, Belmonte en Lashley

In 1899 staat Francis O’Neil Nicolaas Lashley (1872-1940), afkomstig uit Barbados te Nieuw Nickerie genoteerd met concessies. Hij nam deel aan de Balata Co. Suriname en was de vader van de vooral in Rotterdamse bekende oorlogsheld Leo Lashley. De familienaam Lashley kent meerdere varianten zoals o.a. Leach en Leetch.

In die tijd werd Nickerie een belangrijke balata-producent toen de Guyanese maatschappij Garnett en Winter een uitgestrekt gebied in het district als exploitatieterrein kreeg aangewezen. In 1910 waren er zelfs 2600 balata-bleeders in Nickerie werkzaam.

Balata werd gebruikt als materiaal voor drijfriemen, transportbanden en vooral als isolatiemateriaal voor onderzeese telegraafkabels. Door de ontwikkeling van o.a. de radiotelegrafie nam de vraag naar dit product af en daalden de prijzen op de wereldmarkt. Daardoor verminderde de werkgelegenheid in deze sector. De exportwaarde van balata liep van 4.1 miljoen in 1913 terug naar f 1.3 miljoen in 1932.

De teloorgang van de balata-industrie werd gevisualiseerd toen in 1929 een boot met 3000 kilo Balata van Lashley aan boord tot zinken kwam, al bleef hierna de familie ook in de balata-winning actief. Naast de winning van balata exploiteerde Lashley ook plantage Krappahoek in de jaren 1935 en 1936. In 1936 stond hij vermeld als lid van de Ancient Order of Foresters.

Naar Lashley is in Nieuw-Nickerie de Lashleystraat vernoemd.

Balata-bleeders te Guiana

  Auteur: Nico Eigenhuis