taal, language


Trotse javaanse familie

 

Trotse javaanse familie ( 1900 ) Man, vrouw, grootmoeder en twee kinderen. Grootmoeder draagt een van de kinderen in een selendang. (Draagdoek voor een baby of klein kind)

 

Sranan Fosten Taki

CHM 1947

 

Het gebouw van de Curacaosche Handel Maatschappij (C.H.M.)  aan de Steenbakkerijstraat in 1947

Dealer van het automerk Ford,

 

 

 

Brand ijzers voor de slaven

De brandmerk van de slavenhouder

Slaven werden niet alleen aan de Afrikaanse kust gebrandmerkt met de initialen van het slavenschip, maar bij verkoop in Suriname werden zij nogmaals gemerkt met de initialen van de eigenaar.

Het brandijzer werd in hete kolen of vuur gelegd tot het ijzer roodgloeiend was en op de huid van de slaaf gedrukt. Om een duidelijk brandmerk achter te laten kon er buskruit in de wond gesmeerd worden.

 


 

 

 

Saramaccarivier

 

De Saramaccarivier

Lawrence Keymis, een vriend van Walter Raleigh die de saramaccarivier in 1596 ondekte, noemde hem Shurama. Latere namen waren Surrmacca, Saramo, Saramaca en Sarameco.

De Arowakken noemden de rivier Surama, waar de huidige naam Saramacca waarschijnlijk van is afgeleid.

Een Prentbriefkaart met onderschrift:”De groote nieuwe sluis bij Uitkijk Saramacca”.

 

 

 

De mensen van Vossenburg en Wayampibo

 

Het is voor het eerst dat een geschiedenisboek over Suriname een belangrijke publieksprijs wint. Eind oktober won Roelof van Gelder de Libris Geschiedenisprijs 2019 voor zijn indrukwekkende biografie Dichter in de jungle van Gabriel Stedman. Deze Schots-Nederlandse officier schreef in 1796 het boek Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Suriname, een standaardwerk en ook een internationaal succes van de geschiedenis van slavernij in de Nederlandse kolonie Suriname.

 

Een paar dagen nadat de Libris Geschiedenisprijs 2019 bekend werd, kwam in het nieuws dat de Surinaamse slavenregisters over de periode 1830 tot de afschaffing van de slavernij in 1863 nu volledig online zijn te raadplegen via de nationale archieven van Nederland en Suriname.

 

Tegelijkertijd verscheen ook een nieuw boek over die Surinaamse slavernijgeschiedenis, De mensen van Vossenburg en Wayampibo – twee Surinaamse plantages in de slaventijd, geschreven door Bert Koene. Wie in het onlineregister uitkomt op een voorouder die slaaf was op de suikerplantage Vossenburg aan de rechteroever stroomopwaarts van de Commewijnerivier, kan dit ook controleren met dit boek in de hand. Aan het eind is het overzicht opgenomen van de vrijverklaarde slaven van Vossenburg op 1 juli 1863 – met achternaam, voornaam en slavennaam. Enkele bekende familienamen: Heerenveen, Oosterwolde, Sparrendam en Zaandam. Er is echter nog meer dat de moeite waard is van deze publicatie.

Bert Koene geeft een indringend beeld van het leven op Vossenburg, tegen de achtergrond van de sociale, economische en politieke omstandigheden in Suriname en vooral ook in Nederland. Dat beeld begint vanaf de Arnhemse regentenzoon Gerard de Vree in 1705 in Paramaribo trouwt met de weduwe Emilia Broen, wiens echtgenote eigenaar was van Vossenburg. Vanaf de eerste dag waarop de suikerplantage onder zijn beheer kwam, hield De Vree een gedetailleerd journaalboek bij van alle inkomsten en uitgaven. Ook de slavenmacht op de plantage, bestaande uit 39 mannen, 27 vrouwen, 12 jongens en 14 meisjes, werd als geldwaarde weergegeven, bijvoorbeeld in een taxatierapport van 1705, dat De Vree liet opmaken om een aandeelhouder uit de schoonfamilie uit te kopen. In 1713 zag De Vree zijn bezittingen opeens verdubbelen. Uit een testamentaire beschikking van wijlen de heer Daniël Mildert waren hem goederen ter waarde van ruim 100.000 gulden toegevallen: de plantages Wayampibo en Onverwagt, ook aan de rechteroever van de Commewijnerivier en een flink eind stroomopwaarts verwijderd van Vossenburg. Deze plantages had Gerard te danken aan het huwelijk met Abigael van Sandick, een dame die uit Wijk bij Duurstede kwam, nadat zijn eerste vrouw Emilia Broen tijdens een bevalling met het kind overleed.

De journaalboeken en andere bijzonderheden die De Vree heel secuur bijhield van vooral Vossenburg en Wayampibo, geven ook een goed beeld van gebeurtenissen binnen de slavenmacht, van technische en infrastructurele ontwikkelingen van de suikerproductie, de export naar handelsfirma’s in Amsterdam en van de goederen die daar ingekocht moesten worden voor verscheping naar Suriname om Vossenburg draaiende te houden – zie bijlage II achter in het boek, ‘Jaarlijkse leveranties aan Vossenburg’. Die lijst is indrukwekkend. Ondanks een eigen woning in Paramaribo woonde het echtpaar De Vree-Broen en later De Vree-Sandick permanent op Vossenburg – Gerard was eigenaar, administrateur en directeur tegelijk. Hij overleed in december 1726, nauwelijks 48 jaar oud.

De slavenmacht op Vossenburg en Wayampibo werd ook na de dood van De Vree, nauwkeurig bijgehouden door de regentenfamilie Brantsen uit Arnhem, die eigenaar werd van de plantages en ze in bezit hield tot aan de afschaffing van de slavernij in 1863. Deze familie gaf leiding vanuit Nederland, via gemachtigden in Paramaribo – aangestelde plantagedirecteuren en administrateurs – en handelsagenten in Amsterdam. Niemand van de familie had enige affiniteit of interesse voor wat er daadwerkelijk in Suriname gebeurde. Men keek alleen naar de inkomsten en uitgaven.

Na het overlijden van De Vree werd in februari 1927 een overzicht gemaakt van de slavenpopulatie. Zonder geldwaarde maar wel met ‘naam’ en ‘bijzonderheden’. Jan Piet – officier met een zeer been; Laplander – slecht en onbekwaam; Keti (Cathy) – huisslaaf enz. Eind 1744 werken 84 mannen op Vossenburg, van wie twee officieren, vier timmernegers, negen suikerkokers, drie kuipers en de rest staat de boek als gewone werkers. Tien jaar voor de afschaffing van de slavernij is weer zo’n overzicht te vinden in het boek met slavennaam, functie en bijzonderheden. Ik val op drie timmermannen, Charles, Christoffel en Bertrand. Ze zijn mulat – geboren uit een blanke meester een een (huis)slavin – en zijn suikerkoker. Slaaf Philip is ook timmerman en suikerkoker, maar hij is ‘ter genezing in Paramaribo bij dr. Landré. Zelfs spelende kinderen en twee zuigelingen staan in het overzicht met naam vermeld.

Dit boek van Bert Koene is niet de eerste publicatie over de plantage Vossenburg. Al in 1987 verscheen een uitgebreide studie van professor Humphrey Lamur over de suikerproductie en de ontwikkelingen binnen de slavenpopulatie op Vossenburg. Lamur bestudeerde Vossenburg vanuit een bedrijfsmatig financieel-economisch perspectief. Nu brengt Koene Vossenburg tot leven aan de hand van familiearchieven met interessant materiaal over de Surinaamse bezittingen. Bijvoorbeeld het archief van de familie Brantsen dat opgeslagen is in het archief van de provincie Gelderland in Arnhem. Koene, geen historicus maar een gepromoveerd natuurkundige die vervroegd met pensioen ging, stuitte op dit archief tijdens onderzoek voor zijn biografie Schijngestalten, de levens van diplomaat en rokkenjager Gerard Brantsen (1735-1809), zijn eerste boek.

Dat hij nu na jaren van bestudering van het Suriname-archief van de familie Brantsen en van de familie De Vree dat deels opgeslagen is in het Internationaal Instituut voor Sociale geschiedenis, met deze publicatie komt is een geweldige prestatie. Maar door de gedetailleerde beschrijving van familie-ontwikkelingen in Nederland, raak ik soms het spoor bijster van wie waar en op welk moment een bepaalde rol vervult. Ik heb mij al lezend maar vastgeklampt aan de hoofdpersoon Gerard de Vree voor de ‘kennismaking’ met Vossenburg. Een schematisch weergeven stamboom van de belangrijkste hoofdrolspelers aan het begin van het boek had als leidraad zeer geholpen, hoe zeer de auteur ook zijn best heeft gedaan om als verteller de lezer te vragen iets even vast te houden omdat nu eerst iets anders komt dat nodig is te weten, om daarna door te kunnen gaan met het verhaal.

Op het eind van zijn voorwoord breekt de auteur een lans voor het gebruik van het woord ‘slaaf’ – hij hanteert dit in zijn boek – omdat hij ‘tot slaaf gemaakte’ niet passend vindt. ‘Tot slaaf gemaakten waren alleen de mensen die uit Afrika naar Suriname werden aangevoerd. Hun op Surinaamse plantages geboren nakomelingen, die mettertijd het grootste deel van de zwarte bevolking uitmaakten, waren met de status van slaaf ter wereld gekomen. Het is verkeerd om het verschil tussen tot slaaf gemaakten en als slaaf geborenen te verdoezelen. Men doet de mensen uit de eerste groep daarmee onrecht. Voor hen was het leven op de plantages nog zwaarder dan voor wie er was geboren en opgegroeid.’

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

Het straffen van Slaven

 

Het Straffen van Slaven

Over slaven die gestraft werden is veel geschreven en de gruwelijke excessen als wurging, ophanging, levend verbranden, het spiesen zijn menigeen wel bekend, maar wat was de norm eigenlijk voor de ‘tucht der slaven’ in Suriname.

Spaanse bok

Gezagvoerders van plantages en gronden mochten:

slaven onthouden van sterke drank of melasse, voor maximaal 14 aaneengesloten dagen
slaven ketenen aan een lichte ketting (‘boei’) tijdens dag of nacht voor maximaal 14 dagen
slaven opsluiten gedurende maximaal 14 dagen tijdens de nacht of overdag
zweepslagen uitdelen aan:
mannen, maximaal 25 slagen
vrouwen, maximaal 15 slagen
jongens (14-15jr.) 15 slagen
meisjes (14-15 jr.) 10 slagen
jongeren onder de 14 jaar –
de gezagvoerders mogen toezien op ‘vaderlijke tucht’
Zwangere vrouwen mochten in geen geval met zweepslagen of een kettingboei worden gestraft.

Eigenaren en administrateuren hadden meer bevoegdheid tot het opleggen van zwaardere straffen, zoals:

het verbannen of verplaatsen van slaven naar een andere plantage of grond
het verdubbelen van de straffen die de gezagvoerders mocht uitvoeren, tenzij de eigenaar of administrateur op de plantage zelf woonde, dan was de strafhoogte van de gezagvoerder de norm.
Indien de eigenaren of administrateuren van mening waren dat er een zwaardere straf moest worden toegepast dan zij bevoegd waren, konden zij een verzoek in te dienen bij de Procureur Generaal (of de landdrost als het Nickerie betrof). Er werd dan een onderzoek ingesteld naar de zaak. Als de straf werd goedgekeurd moest de Procureur-Generaal of de landdrost of een Burger-Officier bij de ten uitvoering aanwezig zijn.

 

Kettingboei – Stedman

Blank-officieren hadden geen bevoegdheid tot het opleggen van straffen. Indien de gezagvoerder niet aanwezig was mocht hij hoogsten overgaan tot een preventieve opsluiting.

Gezagvoerders werden door het gouvernement verplicht gesteld nauwkeurig een strafregister bij te houden waarin de opgelegde en uitgevoerde straffen vermeld werden. Deze moesten zij dan in de maandverslagen van de plantage verwerken ter einde het gouvernement ervan in te lichten. Hielden zij zich niet aan de strafregisters dan konden zij rekenen op een boete van fl. 10 to fl. 50.

Slaven die wegliepen en gepakt werden konden rekening op 30 tot 40 zweepslagen op het piket van justitie of enkele maanden dwangarbeid met of zonder kettingboei. Het kwam ook voor dat een slaaf die herhaaldelijk wegliep een been afgezet werd, een oor of neus afgesneden of de achillespees doorgesneden werd.

De maximale straf die slaven werd opgelegd was de doodstraf. Dit kon door ophanging zijn, levend verbranding of marteling tot de dood er vrij zeker op volgde. Soms wilde men nog wel eens het hoofd afzetten en het op een spies zetten om andere slaven af te schrikken.

Het levend ophangen aan een vleeshaak tot de dood erop volgde is ook voorgekomen.

 

Ophanging aan een vleeshaak

Slaveneigenaren kregen regelmatig een boete en of gevangenisstraf opgelegd, omdat zij de regels van het gouvernement, m.b.t. de tucht der slaven ondanks enkele berispingen niet naleefden. De straffen stonden overigens in geen enkel opzicht gelijk aan de straffen die aan de slaven werd opgelegd, maar het is interessant om te zien dat enkele slaven hun recht ook hebben behaald.

Zo werd Alexander MacDonald, oa. eigenaar van plantage Bellevue (Coronie) door het college van kleine zaken veroordeeld tot een geldboete van fl. 500 en een gevangenisstraf van één maand, wegens het overmatig straffen van zijn slaaf Agnus.

Op 27 december 1860 werd de eigenaar Alexander Elder veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht dagen, omdat hij het minderjarig slavenmeisje Anna disproportioneel had gestraft.

Alexander Elder – verkoop plantage Concordia 1862. bron: kranten.kb.nl (Foto 4)

John Chandler, eigenaar van de plantage La Champagne had zijn slavin Johanna meerdere malen geslagen met een karwats waaraan hij een tamarinderoede bevestigd had. Gezien dit werktuig niet conform het reglement was toegestaan, werd Chandler veroordeeld tot acht dagen gevangenisstraf.

T.M. Naar is veroordeeld tot één maand gevangenisstraf daar hij een oude slavin Charlotte herhaaldelijk met zijn hand en leren riem heeft geslagen en verwaarloosd.

Dan is er het geval van de eigenaar en bevelhebber van plantage de Vrede (Boven Cottica en Perica), Frederich Theodor Rudolph Brusch, die buiten de grenzen van zijn eigen plantage opdracht heeft gegeven op zijn weggelopen slaven Andries en Abraham te schieten. Beide slaven vonden hierdoor de dood.

Het openbaar ministerie had tien jaar gevangenisstraf geëist tegen Brusch, maar het gerechtshof veroordeelde de beklaagde tot één jaar celstraf. De veroordeelde heeft nog gepoogd een gratieverzoek in te dienen op 20 juni 1859, maar die is van de hand gewezen. Brusch is uiteindelijk de kolonie uitgevlucht en werd nooit meer gezien.

 

 

 

 

 

Kathedraal, de eerste steen

 

Kathedraal aan de Henck Arronstraat (Gravenstraat)

De eerste steen voor de SS Petrus en Paulus werd op 1 januari 1883 gelegd en de kerk werd ingewijd 1887.

De kerk werd gebouwd rondom en over de bestaande kerk die daarna werd afgebroken. De bouwmeester was frater Frans Harmes. De bouwstijl is neoromaans, de later aangebrachte torensplitser zijn neogotisch van karakter.

De kerk is een van de grootste in hout geconstrueerde kerken in Zuid Amerika. Na de verheffing van het Apolistisch Vicaritaat van Suriname tot Bisdom Paramaribo draagt de kerk de naam Kathdraal

Hier nog zonder toren spitsen

 

 

 

Bakrude-Bolwerk vrouwenkorps

 

Bakrude-Bolwerk

Waar Fred van Russel het gezicht was van de mannelijke Surinaamse veteranen was Esseline Bakrude-Bolwerk dat voor de vrouwelijke Surinaamse veteranen.

 

Esseline Elfriede Bakrude-Bolwerk (1924-2016) tekende op 18 jarige leeftijd voor het vrouwencorps. Ze had als voormalig akela een goede ‘vooropleiding’ en zag een uitdaging in het besturen van trucks, na haar aanmelding behaalde ze daarom al snel haar groot rijbewijs. Tijdens haar actieve loopbaan in het vrouwencorps viel ze onder het regiem van Eliza Stahel-Jordi.

 

Eliza Stahel-Jordi is in 1898 in Bern geboren en was de echtgenote van landbouwdeskundige Gerold Stahel. In 1944 werd Eliza Stahel-Jordi 1e luitenant van het Vrouwencorps, dat na een training in de VS werd ingezet bij de geallieerde strijdkrachten. Ze hield daarbij als “moeder overste” de veelal nog jonge dames in het gareel. Eind 1945 werd ze eervol ontslagen uit deze functie.

 

 

Esselien Bakrude-Bolwerk gaf aan dat bij de inzet van verpleegkundigen niet zozeer de functie een probleem was, maar wel de ‘bedreigingen’ van het overschrijden van de heersende fatsoensnormen aangaande vrouwelijke seksualiteit.

 

Hiernaast hadden de Surinaamse dames bij hun opleiding in de Verenigde Staten te maken met openlijke discriminatie op basis van de daar geldende wetten en regels.

 

Mw Bakrude-Bolwerk wordt onder andere genoemd in het onderstaande boek

 

  Auteur: Nico Eigenhuis