taal, language


Dobru

R. Dobru (Paramaribo, 29 maart 1935 – aldaar, 17 november 1983), pseudoniem van Robin Ewald Raveles, was een Surinaams dichter, schrijver en politicus (Statenlid voor de PNR en na 1980 een half jaar onderminister voor Cultuur). Zijn pseudoniem betekent: dubbele R, een verwijzing naar de initialen van zijn voor- en achternaam.

Als dichter en voordrachtskunstenaar was R. Dobru dé representant van het nationalisme, met name met het gedicht ‘Wan’ (de meeste mensen noemen het ‘Wan bon’ – Eén boom) uit zijn debuutbundel Matapi [Cassavepers] (1965), een gedicht dat door zijn eenvoudige woordkeus en structuur gemakkelijk gememoriseerd kan worden en dat veel Surinamers dan ook van buiten kennen. Het werd in veel talen vertaald. Dobru stimuleerde velen tot schrijven in het Sranan en Surinaams-Nederlands en werd door velen nagevolgd. Hij was redactielid van het tijdschrift Moetete (1968-69).

 

Zijn proza in Wasoema [Wasvrouw] verzamelde schetsen uit het leven op een erf van Paramaribo (1967), De plee (wc) en andere verhalen (1968) en de korte roman Oema soso [Enkel de vrouw] (1968) is levendig, maar lijdt aan een teveel aan gepreek. Zijn politieke memoires verschenen in 1969: Wan monki fri [Een stukje bevrijding]. Hij schreef voorts twee Surinaamse keukenmeidenromans, waaronder Bos mi esesi [Omhels mij snel] die vooral belangrijk zijn om hun gebruik van het Surinaams-Nederlands, en een bundel Anansi-Tori [Spinvertellingen] (1979). Zijn poëzie heeft in de vroege jaren enkele zuivere gedichten opgeleverd, maar verviel meer en meer in het afwikkelen van een recept. Hij speelde in op de politieke actualiteit, bijvoorbeeld met het gedicht ‘Gooi een stoel’ toen er op 11 juni 1979 in de Staten van Suriname een vechtpartij uitbrak waarbij er met stoelen werd gesmeten. De invloed van Cuba, Mao en Kim Il-sung leverden de laatste jaren enkel nog politiek getinte publicaties op.

Dobru schreef altijd over twee vaste thema’s: liefde en revolutie. Met de coup van 1980 ging hij enthousiast mee en hij werd op handen gedragen. Zijn beste gedichten werden bijeengebracht in Boodschappen uit de zon (1982). Postuum werd hem in 1989 de Gouden Ster van de Revolutie toegekend. In 2006 kreeg hij, eveneens postuum, de Gaanman Gazon Matodja Award. Toen hem eens gevraagd werd of hij leefde van de pen, antwoordde hij: “Ik leef van de revolutie! Ik wil dat de ogen van mijn volk opengaan.”

Dobru debuteerde in 1965 met de bundel ‘Matapi’, welke zoveel betekent als ‘cassavepers’. In het titelgedicht Matapi wordt een cassavepers aangeschreven; een pers waarmee de schadelijke stoffen uit de cassave worden gehaald, waarna er een soort stijfsel overblijft. Het stijfsel zou de Surinaamse cultuur moeten behouden. De bundel bevat Surinaams-Nederlandse gedichten, gedichten in het Sranan, en enkele korte prozastukken in het Sranan.

 

Hoewel Dobru in eerste instantie enkel in het Sranan schreef, zette hij later Nederlands in om een grotere lezersgroep te bereiken. Javaanse en Hindoestaanse critici hadden zijn werk een ‘Creoolse aangelegenheid’ genoemd. Sranan werd door hen niet gesproken. Sommige gedichten in Matapi zijn erg politiek geladen, andere behandelen het gevoelsleven van Dobru. Een aantal gedichten bevat verwijzingen naar de Winti-religie, waar Dobru een aanhanger van was.

Het bekendste gedicht uit de bundel is zonder twijfel ‘Wan Bon’, een gedicht waarin R. Dobru zijn hoop op één Surinaams volk uitdrukt. Aan de hand van verschillende metaforen beschrijft hij hoe Suriname weliswaar diverse bevolkingsgroepen kent, maar toch in staat zou moeten zijn één geheel te vormen. Het gedicht wordt nog regelmatig bij nationale gelegenheden voorgedragen en heeft een belangrijke symbolische functie binnen de Surinaamse literatuur ingenomen. Zijn poëzie en proza in het Sranan hebben er bovendien voor gezorgd dat Sranan meer als ‘volwaardige taal’ werd erkend. Dobru was één van de eerste schrijvers die de orale traditie van het Sranan doorbrak.

R. Dobru raakte al op jonge leeftijd geïnteresseerd in het Surinaams nationalisme. Op school werd hem verboden om Sranan, zijn moedertaal, te praten. Dit had ten gevolg dat hij zich lange tijd schaamde om zich in het Sranan uit te drukken. Hij zegt hierover: “Ik heb duizend strafregels moeten schrijven op de lagere school: ik mag geen Negerengels spreken.

 

Thuis moest je tegen je ouders Nederlands spreken, al spraken ze je in het Surinaams aan. Een keer heb ik het geprobeerd – er is mij door mijn moeder bijna een tand uit de mond geslagen. Ik was oneerbiedig.” Uiteindelijk kwam hij in aanraking met Wie Eegie Sanie, een beweging die het Surinaams en de Surinaamse cultuur wilde bevorderen. Hij zou uitgroeien tot een van de belangrijkste figuren binnen deze beweging.

Van zijn ouders kreeg hij een politieke opvoeding mee. Zijn vader, Josua Raveles, was een tijdlang lid van de Nationale Partij Suriname (NPS) en discussieerde vaak met zijn zoon over de Surinaamse politiek. Later distantieerde hij zich van de harde politiek die de partij er op nahield. R. Dobru sloot zich ook aan bij de NPS en richtte samen met Harrald Axwijk en Theo Uiterloo de daaruit voortkomende partij, de Partij Nationalistische Republiek, op. Voor deze partij werd hij parlementariër.

 

Over de begintijd van de NPS schrijft hij in Wan Monki Fri: “Weinigen hadden toen op 1 september 1961 vermoed, dat wij erin zouden slagen, dwars door sociale, religieuze en raciale groepen heen, onze ideeën eigendom te doen worden van de massa van ons volk. (…) Wij hebben strijd moeten leveren tegen onszelf en onderling, zodat defaitisme niet de overhand nam. Sommigen zijn onderweg gesneuveld. Het duurde te lang. Men werd moe. (…) Langzaam maar zeker kregen wij houvast bij groepen in de gemeenschap, die wij met onze rechtlijnigheid en onze opofferingsgezindheid overtuigden. De beginselen bleven staan. Als sterren van Bethlehem bleven wij daar achter optrekken naar de overwinning.”

Tijdens de eerste regeringsperiode, waar voor de PNR Eddy Bruma aan deelnam, brak er een aantal stakingen uit. Op 9 februari 1973 werd R. Dobru tijdens een van deze stakingen door een aantal agenten mishandeld. Tijdens de verkiezingen later dat jaar werd hij verkozen tot parlementariër. De PNR voerde inmiddels geen oppositie meer, en werd nu zelf hard aangevallen door met name links-communistische oppositiepartijen. Zelf probeerde R. Dobru zijn idealen zo min mogelijk te verloochenen in het licht van politieke concessies. Hij schreef in deze tijd veel politieke gedichten, waaronder het gedicht ‘Sjaki’, over een parlementariër die na verkiezing zijn volk niet meer in acht neemt.

Na de coup onder leiding van Bouterse in 1980 werd Dobru korte tijd onderminister van cultuur.

De R. Dobru-stichting die zijn gedachtegoed levend wil houden, publiceerde een kalender met zijn gedichten, maar liet verder zelden iets van zich horen. In 2006 liet Yvonne Raveles-Resida, weduwe van R. Dobru en voorzitter van de stichting, aan de Nederlandse ambassade weten dat hun verzoek om een gedicht van R. Dobru ter verfraaiing op het hek te mogen aanbrengen niet werd gehonoreerd vanwege de slechte behandeling van Surinaamse staatsburgers in Nederland.

Op 24 november 2010 promoveerde Cynthia Abrahams-Devid aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift: Wan bon ˗ Wan Sranan ˗ Wan Pipel; Robin ‘Dobru’ Raveles, Surinamer, dichter, politicus, 1935-1983. Promotor was prof. dr Michiel van Kempen, copromotor prof. dr em. Bert Paasman.

In november 2013 werd Dobru door de Anton de Kom-Universiteit van Suriname postuum een eredoctoraat toegekend; het was voor het eerst dat de universiteit iemand een eredoctoraat toekende die niet meer in leven was. De bul werd dertig jaar na Dobru’s overlijden in ontvangst genomen door zijn weduwe, Yvonne Raveles-Resida.

 

 

Bron Wikipedia Wiki pedia

Dr Sophie Redmond

Sophie Redmond (1907-1955), studeerde  af als de eerste vrouwelijke Creoolse arts van Suriname.
Arts was het meest prestigieuze beroep in Suriname eind 19e en begin 20e eeuw. Alleen zonen uit de rijke families en dan nog alleen de blanken of de lichtgekleurden konden medicijnen studeren.
Voor anderen was het sociaal gezien niet geaccepteerd.Tot Sophie Redmond in 1925 haar poot stijf hield. Gezien haar donkere huidskleur had ze ‘de kleur van een dienstmeisje’, maar ze was intelligent.
Toch sloeg de schrik haar vader koud om het hart toen zijn dochter aankondigde dat ze dokter wilde worden. Ze vertelde haar vader dat ze per sé dokter wilde worden, maar dat hij het eerlijk moest zeggen als hij geen geld had voor de opleiding. Dan zou ze als dienstmeisje aan de slag gaan (waarschijnlijk om te sparen en zich alsnog in te schrijven). Maar dat was niet nodig en op 1 november 1925 begon ze aan haar opleiding aan de geneeskundige school. De opleiding tot geneesheer duurde eigenlijk 6 jaar, maar door tegenslag en tegenwerking deed Redmond er 10 jaar over.
Zij vestigde zich als particulier geneesheer in Paramaribo en bekommerde zich vooral om de armen. De elite van Suriname was gericht op Holland: de Europese cultuur was meer waard dan de Surinaamse, evenals de Europese geneeskunst, cultuur, eten en talen. Redmond droeg altijd een koto (traditionele klederdracht van Creoolse slaven), weigerde geïmporteerd voedsel te eten, gebruikte traditionele Surinaamse kruidenkennis naast Europese medicijnen en gaf de arme bevolking voorlichting in Sranantongo, via zowel volkstoneel als een rubriek op de radio (Datra mi wan’ aksi wan sani – Dokter, ik wil iets vragen). Ze gaf niet alleen voorlichting op het gebied van medische kwesties, maar bijvoorbeeld ook bij huwelijksstrubbelingen of financiële problemen. En alles in Sranantonga, zodat iedereen het kon begrijpen.
Sowieso behandelde ze arme patiënten meestal gratis, en daarna stuurde ze hen door naar tante Esseline Polanen (apotheker) die ze vervolgens gratis medicijnen gaf. Tegenstanders van Redmond beweerde dat ze dat alleen maar deed om de armen achter hun rug om belachelijk te kunnen maken, maar Redmond investeerde iedere cent die ze had in haar gemeenschap en boende daarom dagelijks zelf op haar knieën de stoep. Als iemand waarvan ze wist dat hij of zij het zich niet kon veroorloven te betalen dat toch wilde doen zei ze meestal ‘Houd die centen maar en ga een krachtig soepje koken, want je bent vreselijk zwak’. Ze was zelf, net als tante Esseline Polanen, lid van de Evangelische Broedergemeente en vond het haar plicht om voor de armen op te komen. Ze deed wat zij vond dat nodig was, maar zonder het opgeheven vingertje en zonder mensen te willen bekeren. Zij deed wat zij nodig vond voor haar geloof en als een ander iets anders wilde geloven bleven ze even goede vrienden.
Ze gaf medische lessen, was bestuurslid van verschillende organisaties (waaronder een kindertehuis) en was lid en schrijfster van toneelgroep Thalia. In totaal heeft zij 12 toneelstukken geschreven over maatschappelijke onderwerpen. Haar wapen was humor om de meest persoonlijke en pijnlijke onderwerpen bespreekbaar te maken. Ze had grote idealen en in 1950 besloot ze zich kandidaat te stellen voor de Staten van Suriname. Een jaar eerder had de Nationale Partij Suriname (NPS) de verkiezingen gewonnen. Dat was oorspronkelijk een partij voor protestantse Creolen (vooral leden van de Evangelische Broedergemeente waren lid. De NPS wilde een breder publiek aanspreken en kozen daarom voor een Hindoestaan als kandidaat. Redmond stelde zichzelf direct verkiesbaar, maar dan als onafhankelijk kandidaat. De NPS was zo woedend dat ze dat had gewaagd, dat ze een lastercampagne begonnen. Liedjes over feministen die seksueel gefrustreerde vrouwen waren deden het goed op straat, maar waren de doodsteek voor de politieke ambities van Redmond. Ze werd inderdaad niet gekozen en besloot nooit meer iets met de NPS te maken te willen hebben.

Ze had de politiek niet nodig om haar idealen te verwezenlijken, raapte zich bij elkaar en ging weer aan de slag. In 1955 zakte ze bij een vergadering in elkaar en een dag later stierf ze in het ziekenhuis. De plannen waar ze op dat moment mee bezig was, was ten eerste wetenschappelijk onderzoek naar de werking en juiste hoeveelheden van traditionele Surinaamse kruiden. Ook wilde ze een groep van de allerarmste kinderen uit haar buurt in huis nemen, om ze (samen met haar echtgenoot Louis Monkau  ) te

Louis Emile Monkau – geboren Suriname 21-1-1906 – overleden Suriname 23-11-2007

leren wat ze nodig hadden om het te redden in de samenleving: etiquette, hygiëne, handwerken, koken, etc. Die plannen bedacht ze samen met vriendinnen. Dat waren allemaal dames die stevig in hun schoenen stonden en die zouden dan in hun straat ook dat soort projecten kunnen stichten, voor de kinderen in hun directe buurt. Tante Es heeft dit project uiteindelijk overgenomen en heeft een SOS kinderdorp in Paramaribo gesticht, waar kinderen die dat nodig hadden een veilige haven kregen.

In 1955 was Redmond samen met haar vader bij een vergadering van grondeigenaren in Onoribo, maar tijdens de vergadering zakte ze in elkaar en werd naar het ’s Lands Hospitaal gestuurd. Daar overleed ze diezelfde dag, pas 48 jaar oud. Tweeduizend mensen liepen mee in de begrafenisstoet van ‘hun dokteres’ en nog eens duizend mensen stonden langs de kant om hun respect te tonen. Toen Redmond begon als arts werd de kloof tussen arm en rijk langzaam maar zeker steeds groter, niet alleen financieel, maar ook cultureel. Redmond zette zich met hart en ziel in om de onderklasse te emanciperen en niet alleen dat: zij liet zien dat de Surinaamse cultuur niet minderwaardig was aan de Europese. Als arts alleen zou zij al geslaagd zijn geweest in de ogen van haar samenleving. Maar zij ging verder dan dat. Omdat ze ervan overtuigd was dat het nodig was en niemand anders het deed.

Eduard Johan (Eddy) Bruma

Eduard Johan (Eddy) Bruma

Eduard Johan (Eddy) Bruma (Paramaribo, 30 mei 1925 – aldaar, 6 november 2000) was een Surinaams jurist, schrijver en politicus.

Eddy Bruma (1975)Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij gevangen vanwege zijn nationalistische activiteiten. Na die oorlog studeerde hij rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en was hij in 1951 betrokken bij de oprichting van de Surinaamse culturele vereniging Wie Eegie Sanie. Na terugkeer in zijn moederland in 1954 vestigde hij zich als advocaat in Paramaribo. Daarnaast was hij in Suriname ook politiek actief.

Zo stichtte hij in 1959 de Nationalistische Beweging Suriname (NBS) die in 1961 opging in de creoolse Partij Nationalistische Republiek (PNR). De PNR streefde naar onmiddellijke onafhankelijkheid terwijl de eveneens creoolse NPS onder leiding van Pengel dat pas op lange termijn wilde. In dat jaar behaalde de PNR bij de Staten-verkiezingen geen zetel.

Bij de verkiezingen van 24 oktober 1969 haalde zijn partij wel een zetel waarna Bruma als Statenlid oppositie voerde tegen de regering onder leiding van premier Sedney. Verder was hij voorzitter van de in 1970 opgerichte vakbond Centrale 47 (C-47; een tegenhanger van de meer aan de NPS gelieerde Moederbond) totdat hij werd opgevolgd door Fred Derby.

In 1973 was de PNR één van de partijen die deel uitmaakte van de Nationale Partij-kombinatie (NPK) die 22 van de 39 zetels haalde. Na die verkiezingen was Eddy Bruma vier jaar lang de minister van Economische Zaken in het kabinet-Arron terwijl zijn partijgenoot Eddy Hoost minister van Justitie werd.

Tijdens die regeerperiode werd het ideaal van Bruma verwezenlijkt: Suriname werd in 1975 onafhankelijk van Nederland. Bij de parlementsverkiezingen van 1977 lukte het de PNR niet om een zetel te bemachtigen.

Na de staatsgreep in 1980 onder leiding van Desi Bouterse was Bruma de formateur van de regering Chin A Sen waar naast burgers ook leden van de Nationale Militaire Raad (NMR) in zaten. De arts Chin A Sen was lid van de PNR maar tot dan niet politiek actief.

Hierna was hij vooral actief als advocaat en gaf hij soms politieke adviezen. Zo gaf president Wijdenbosch zijn neef Bruma in 1996 de leiding over de evaluatie van de betrekkingen tussen Suriname en Nederland.

Eddy Bruma leidde in de jaren ’50 de culturele organisatie Wie Eegie Sanie, aanvankelijk in Nederland, later in Suriname. Hij was een voorvechter van het Sranan en mederedacteur van het Surinamenummer van het Friese tijdschrift De Tsjerne (1952) waarin zijn verhaal ‘De fuik’ verscheen over de leegloop van het arme kokosdistrict Coronie – later afgedrukt in de bloemlezingen Verhalen van Surinaamse schrijvers (1989) en Mama Sranan (1999) .

Bruma schreef voorts gedichten (opgenomen in de bloemlezingen Creole Drum (1975) en Spiegel van de Surinaamse poëzie (1995) en toneelspelen die zich in de slaventijd afspelen: De geboorte van Boni (1952 in Nederland opgevoerd, in 1957 in het Sranan in Suriname) over de guerrillaleider Boni, zoon van een gevluchte slavin, die strijd voerde tegen de koloniale overheerser en de slavernij. Later volgde het stuk Basja Pataka (Suriname 1958). Hij schreef en regisseerde voorts Anansietori met veel dans en muziek uit de creoolse traditie.

Louis Alfredus Gerardus Doedel

Toen Louis nog Louis Doedel was

       Vorige pagina

Vanwege zijn tragische internering door Kielstra in 1937 wordt weleens vergeten hoe belangrijk het werk van Louis Doedel was.

Louis Alfredus Gerardus Doedel (1905-1980) is in Suriname op jonge leeftijd actief in de Surinaamse sociale beweging. Daardoor wordt het steeds moeilijker voor hem aan de slag te komen en ziet hij zich gedwongen in 1928 naar Curaçao uit te wijken.

Doedel vindt er werk bij de Belastingdienst. Hij is er betrokken bij de oprichting van het RK Patronaat en wordt bestuurslid van de belangenverenigingen ‘Surinamers op Curaçao’ en ‘Antillianen, Nederlanders en Surinamers’. Een verkeersovertreding is aanleiding om hem te arresteren, en hij wordt onder de noemer “gevaarlijk voor de politieke rust” in 1931 op de boot naar Suriname gezet.

Terug in Suriname blijkt dat de wereldcrisis ook daar behoorlijk heeft toegeslagen. Met hem zijn ook 200 op Curaçao werkeloos geraakte Surinamers teruggekeerd en hij richt er met hen het Surinaams Werklozen Comité op. Hij organiseert een protestdemonstratie die 3000 deelnemers kent.

Datzelfde jaar wordt op 28 oktober een ‘algemene grote volksvergadering van werklozen’ gehouden. Deze vergadering mondt uit in het zogenaamde ‘hongeroproer’ waarbij er door de autoriteiten geweld wordt gebruikt. Er valt een dodelijk slachtoffer en er zijn twee gewonden.

Eind 1931 wordt onder aanvoering van Doedel het Surinaams Arbeiders Verbond (SAV) en het Surinaams Werklozen Strijd Comitè opgericht. Er worden contacten onderhouden met Anton de Kom, die op 4 januari 1933 vanuit Nederland naar Suriname komt.

In 1936 krijgt Doedel twee weken gevangenisstraf opgelegd wegens smaad, en in 1937 wordt hij door Kielstra opgesloten in het krankzinnigengesticht.

Hij wordt in 1980 vrijgelaten als een geknakt man en overlijdt enkele dagen later. Parlementsvoorzitter Emile Wijntuin zorgt er voor dat door de Surinaamse regering zijn begrafenis op RK-begraafplaats wordt betaald. Later schrijft Emile een boek over Doedel met de titel Louis Doedel, Martelaar voor het Surinaamse Volk. Doedel’s nicht Nina Jurna maakte de documentaire Louis Doedel vakbondsleider en held.

LOUIS ALFRED GERARDUS DOEDEL * 26-07-2905 + 10-01-9080

Doedel zag op 26 juli 1905 in Paramaribo het levenslicht. Na het doorlopen van de ULO ging hij aan de slag als leerling-schoenmaker en typograaf. In mei 1928 vertrok hij naar Curaçao, alwaar hij bij de belastingdienst ging werken.

Doedel is altijd een rechtgeaard socialist geweest. Op Curaçao ontplooide hij zijn eerste politieke activiteiten. De autoriteiten waren hier niet blij mee en in 1931 werd hij van het eiland gezet. Officiële reden: hij had links, in plaats van rechts over de Wilhelminabrug gelopen!

In Suriname zette Doedel zijn politieke activiteiten onvermoeid voort. Armoede, honger en ellende leidde op 28 oktober 1931 tot een uitbarsting van volkswoede, die de geschiedenis in zou gaan als de hongeroproer. De koloniale overheid maakte een einde aan de volksopstand door op de menigte te schieten. Dit resulteerde in één dode en twee gewonden.
Surinaamsche Algemene Werknemers Organisatie
Doedel liet zich hier niet door ontmoedigen en in 1932 richtte hij met enkele anderen de Surinaamsche Algemene Werknemers Organisatie (SAWO) op.

Vanwege zogenaamde ‘antigodsdienstige propaganda’ besloot de koloniale overheid de SAWO te verbieden. Hierop richt Doedel het Surinaamse Arbeidersverbond en het Surinaams Werkenloze Commite op.

Toen Doedel in 1937 een politiek getinte petitie aan de gouverneur wilde aanbieden, kreeg hij geen toegang tot het paleis. Blanken werden echter wel continu en probleemloos toegelaten. Naar verluidt maakte Doedel zich daarop helemaal wit door zich met pemba doti, een witte kleisoort, in te smeren. Dit in het kader van: “Wanneer alleen blanken toegang hebben, dan zal ik ze een blanke Doedel geven”.

 

 

Blote billen

Hij ging daarna weer naar het paleis, maar de bewakers stuurde hem direct weg. Doedel werd boos en liet zijn broek zakken. Hij toonde zo zijn blote billen aan gouverneur Kielstra. Al snel werd Doedel opgepakt door de politie voor het verstoren van de openbare orde.

Vervolgens liet Kielstra hem zogenaamd ter observatie, aanvankelijk voor een periode van 28 dagen, opnemen in Lands Psychiatrische Inrichting (LPI). De zogenaamde observatie zou uiteindelijk tot 1980 voortduren

Doedel stierf een paar dagen na zijn vrijlating.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

 

Kielstra

 

Kielstra heeft van 1933 tot 1944 in Suriname gediend. Hij heeft weinig goed en veel slecht gedaan. Ook maakte hij misbruik van zijn macht. Hij was iemand die geen tegenspraak duldde en altijd zijn zin moest krijgen.

Aanhanger van een krachtig koloniaal bestuur, die tamelijk autoritair optrad. Wees het bestaande assimilatiebeleid af en bevorderde de vorming van dorpsgemeenschappen van Hindoestanen en Javanen, die kleinschalige landbouw tot ontwikkeling moesten brengen. Gebruikte ook de nieuwe staatsregeling ten voordele van die bevolkingsgroepen en vervreemde zich van de creolen. Verloor tijdens de oorlog het vertrouwen van de Staten van Suriname.

 

 

 

 

 

 

Jan Ernst Matzeliger

Matzeliger

       Vorige pagina
Jan Ernst Matzeliger

Hij is vooral bekend als uitvinder, maar bijzonder was dat hij als zwarte man in de VS ook erkenning kreeg in de blanke gemeenschap. Al ging dat bepaald niet zonder problemen.

Het is zeer opmerkelijk dat juist iemand die als slaaf werd geboren, en om die reden geen schoen mocht dragen, de schoenzwikmachine * uitvond.

Uit de manumissieregisters blijkt dat hij onder de naam Ernst Martzil (geb 1854..) op 24-03-1862 is gemanumitteerd door de weduwe A. Christie. Jan Ernst Matzeliger (1852-1889) reisde via New York en Boston en arriveerde in 1877 in Lynn, het centrum van de Amerikaanse schoenindustrie.

De door hem in 1883 ontworpen ‘automatische handzwikmachine * ’,  door collega’s al snel tot ‘the niggerhead’ gedoopt, was vooral het resultaat van zijn nauwkeurige observaties van de vele handelingen die de zwikkers, een elite in de industrie, verrichten. Jan Ernst Matzeliger ‘the Mad Mulatto’ triomfeerde, waar anderen faalden.

Een opmerkelijke afname van tuberculose, de gevreesde ‘schoenmakersziekte’, was het directe gevolg. De productie en daardoor de vraag naar werkkrachten steeg enorm zodat schoeisel, tot dusver een luxe artikel, een massaproduct werd en binnen ieders bereik kwam.

Matzeliger probeerde zich aan te sluiten bij de bisschoppelijke, unitaristische en katholieke kerken in Lynn, maar elke gemeente verwierp hem vanwege zijn huidskleur. Hij had destijds een relatie met een jonge blanke vriendin die niet zonder gevolg was gebleven, die het ongetrouwde paar dwong uit te wijken naar een nabijgelegen stad.

De geboorte en door de sociale druk het afstand moeten doen van hun baby, plus Matzeligers verplichtingen in Lynn, betekende een einde van hun samenzijn.

Tot zijn verrassing werd hij bij zijn terugkeer in Lynn gevraagd als lid van de kerk waar hij jaren eerder nog onwelkom was. Hij trad toe tot de Christian Endeavour Society in de North Congregational Church, waar hij regelmatig diensten bijwoonde en deelnam aan vele kerkelijke activiteiten. Bij de kerk maakte hij vele vrienden met wie hij tijd doorbracht in openluchtexcursies – het verkennen van vijvers, het beklimmen van rotsen en het bezoeken van een nabijgelegen eiland.

Hij leidde vervolgens een bijbelklas aan de Zondagschool en gaf de pupillen teken- en schilderles. In 1885 vroeg hij patent aan voor een derde versie van zijn zwikmachine en samen met de financier Sidney B.Winslow, eigenaar van de First National Bank of Boston, werden The Union Lasting Company en The Consolidated Hand Lasting Machine Corporation opgericht.

Een jaar later verbeterde zijn sociale status opnieuw: als enige zwarte was hij eigenaar van een woning in een blanke wijk, nam actief deel aan het verenigingsleven van de kerk en speelde hij een hoofdrol in De Mikado, een opera van de internationaal bekende Engelse toneelschrijvers Gilbert en Sullivan.

Deze opera bestaat uit twee akten en speelt in het Japan van 1450. De Japanse Keizer (de Mikado) heeft een landelijk verbod op het flirten opgelegd op straffe van de dood.

Het is een speling van het lot dat Jan Ernst Matzeliger die zorgde voor de afname van tuberculose zelf overleed aan deze ziekte, terwijl hij nog net geen 37 jaar oud was.

  Auteur: Nico Eigenhuis

*

De schoenzwikmachine. Deze machine zorgde ervoor dat, op een aanzienlijk goedkopere manier dan daarvoor, bovenschoen en schoenzool met elkaar verenigd worden. Daarmee werden schoenen betaalbaar voor een aanzienlijk grotere groep mensen dan de toenmalige ”happy few”.

Cordwainers maakten mallen van klantenvoeten, genaamd “lasts”, met hout of steen. De schoenen werden vervolgens op maat gemaakt en gevormd volgens de mallen. Het vormgeven en bevestigen van het lichaam van de schoen aan de zool gebeurde volledig met de hand met “hand-lasters”. Dit werd beschouwd als de moeilijkste en meest tijdrovende fase van assemblage. Omdat de laatste stap in het proces gemechaniseerd was, creëerde het gebrek aan mechanisatie van de voorlaatste fase, de blijvende, een aanzienlijk knelpunt.

Matzeliger ging op zoek naar een oplossing voor de problemen die hij bespeurde in het schoenmaakproces. Hij dacht dat er een manier moest zijn om een ​​automatische methode voor duurzame schoenen te ontwikkelen. Hij begon ontwerpen te bedenken voor machines die de klus konden klaren. Nadat hij met verschillende modellen had geëxperimenteerd, vroeg hij patent aan op een ‘lasting machine’.

Op 20 maart 1883 ontving Matzeliger patent nummer 274.207 voor zijn machine. Het mechanisme hield een schoen op een “last”, trok het leer rond de hiel, ging zitten en reed de spijkers in en ontlaadde de voltooide schoen. Het had het vermogen om 700 paar schoenen per dag te produceren – meer dan 10 keer zoveel als de hoeveelheid die door mensenhanden wordt geproduceerd.

Op 20 maart 1883 werd Matzeliger op deze machine octrooi patent nummer 274.207 verleend.

In 1985 vernoemde de stad Lynn een brug naar de uitvinder. Te zijner nagedachtenis gaven de Amerikaanse posterijen op 15 september 1991 een speciale postzegel uit.

Ho A Sjoe, Jos Dr.

Ho A Sjoe

       Vorige pagina

Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon, close-upDe Surinaamse familie Ho A Sjoe resp. Ho Asjoe is vooral bekend doordat deze familie veel prominente medici oplevert. De bekendste ervan was de anatoom en districtsarts Dr. Jos Ho A Sjoe. De familie had direct na aankomst in Suriname echter ook een winkel Ho-Asjoe in Nickerie, deed aan houtkap, en runde een aantal jaren een plantage, te weten Botany Bay.

Plantage Botany Bay was oorspronkelijk in 1825 als koffieplantage aangelegd door William Christie. Hierna was S. MacDonald overgeschakeld naar de teelt van cacao en banaan toen deze begin twintigste eeuw werd overgenomen door eerst Chin A Jong en vervolgens J.S. Ho Asjoe (van 1901 tot 1919).

De administratie werd enkele jaren gedaan door James Chin A Paw, die hiervoor directeur van de plantage Nursery was. De overname van plantages van de Schotten door Chinezen toentertijd, waaronder dus Ho A Sjoe, is best bijzonder te noemen. Het illustreert het Chinees ondernemerschap in Suriname.

Na de komst van 18 Chinezen van Indonesië in 1853 volgde in 1858 in Suriname de komst van 500 Chinezen die in Macau werden geworven. Dat was destijds een Portugese kolonie. Deze Chinezen werden volkomen als slaven behandeld.

Uiteindelijk kwamen in de jaren vijftig en zestig van de 19e eeuw ongeveer 2500 Chinezen naar Suriname. De meesten werden als contractarbeiders tewerkgesteld op de plantages. Hierna kwamen er in de loop der jaren nog meer Chinezen naar de kolonie, die na hun contractperiode veelal actief werden als middenstander.

Dr J Ho A Sjoe volgde de St Paulusschool. In 1923 slaagde hij voor het eerste natuurkundig gedeelte van het geneeskundig examen en in 1929 voor het praktisch heelkundig examen. In 1946 werd hij verkozen tot Statenlid en in die hoedanigheid maakte hij zich hard voor behoorlijke behandelkamers op de scholen en pleitte hij in 1947 voor een eigen U.L.O. school in Nickerie.

In 1948 relativeert hij de aandacht voor filaria en wijst op het effect van andere ziekten (o.a. venerische ziekten en tuberculose). Hij juicht de bouw van volkswoningen toe. Eerder al maakte hij zich druk over de schijnbare willekeur bij de toewijzing van vrije woningen aan districtsambtenaren. Rond 1950 verblijft hij voor studie in Nederland, en hierna is hij nog jaren actief als geneesheer.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

De opstand op Mariënburg

De opstand op Mariënburg

       Vorige pagina
Monument voor De opstand op Mariënburg

Deze foto van Marienburg suikerfabriek is beschikbaar gesteld door TripAdvisorEr zullen weinig mensen zijn met interesse voor de geschiedenis van Suriname, die nog nooit gehoord hebben van de opstand op Plantage Mariënburg. Via boeken, televisie en film zijn de gebeurtenissen uit juli 1902 uitgebreid verhaald. Hierbij komen vooral de rol van de wrede plantagedirecteur en de reactie van de militie naar voren. Mij interesseerde ook hoe de gevestigde orde in die dagen tegen de gebeurtenissen aan keek. Daarom een aantal krantenfragmenten uit die tijd.

“Paramaribo, 31 Juli 1902, Eene treurige en droevige ramp.”

Dinsdag-namiddag omstreeks 5 uur verspreidde de mare zich door de stad, dat de heer James Mavor, agent van de Nederl. Hl. Mij., gevestigd op de door haar in eigendom toebehoorende plantage Mariënburg, door eene bende koelies en Javanen dicht bij huis onverhoeds is aangevallen en vermoord geworden.
Algemeen, groot en klein, heeft het bericht terneergeslagen:

Mavor toch was een man uit één stuk, ging geheel op in zijn werk, was daarbij strikt rechtvaardig, en verheven boven elke partij; hij minachtte elke laagheid, telde geene vrienden, bij wie, hij tafelschuimde, wijl hij, zoals hij placht zeggen, en waarmede hij gewoon was uitnodigingen van de hand te wijzen, daarvoor geen tijd ( “no time” ) had; hij was, hoewel hij van zijn doen en laten geen praalvertoon maakte, evenwel een geloovigChristen, en hield de leer der Vrijmetselarij hoog……….

De Heer Mavis, die in de loop van den dag een onder de koelies ontstane ontevredenheid over het opgelegde werk had trachten te sussen, werd door de ontevredenen achtervolgd en vluchtte de fabriek binnen. Daar ontving de ongelukkige een houw die hem het hoofd bijna van den romp scheidde en stervend deed ter neerstorten…………..

Onmiddellijk vertrokken de Procureur-Generaal, de Advocaat-Generaal en de Agent-Generaal met een detachement militairen en de beschikbare beambten van politie naar den plaats van het onheil. Aldaar aangekomen vonden zij alles rustig; den volgenden morgen echter, toen eenigen der oproerlingen zouden worden gearresteerd, namen de opstandelingen, ten getale van 2 à 300 man zulk eene uitdagende houding aan, dat, na vruchteloos tot 5 x toe te zijn gewaarschuwd en gewezen op het gevaar dat hen dreigde, op hen moest worden gevuurd: 13 hunner werden daarbij gedood en een 40 tal zwaar gewond, terwijl de groote massa op de vlucht ging.”

Het is wel duidelijk waar de sympathie lag bij de gevestigde orde in die tijd. Opvallend was trouwens vroeger dat wanneer er een hoog geplaatst, of machtig figuur dood ging, met pensioen ging of weer naar Nederland vertrok, hem altijd uitgeleide werd gedaan in verheven taal. De betrokkene werden dan vaak bepaalde karaktertrekken toegedicht, die eerder nog niet opgevallen waren. Bij vertrekkende Gouverneurs was dit bijna gebruikelijk.

Toch verschenen er in de daaropvolgende dagen ook artikelen waarin de zaken wat genuanceerder werden voorgesteld. Ook de wijze waarop de heer Mavor zich op de plantage gemanifesteerd had kreeg meer aandacht.

De schrijver van een ingezonden brief beschreef, en hij was niet de enige, Mavor op een geheel andere wijze.

“De heer Mavor was iemand waarmede geen enkele directeur in de kolonie te vergelijken is, doordat hij zich op zulk een hoogte afzonderde dat hij niet alleen ongenaakbaar was voor zijne arbeiders, maar zelfs zijne opzichters durfden hem niet naderen, voor een gedachtewisseling over het werk der plantage. Iedereen was bang voor hem, het juiste woord is: men vreesde hem.

En wanneer een opzichter-pas gekomen van een andere plantage-hem er op durfde te wijzen dat de opgelegde taak te zwaar was, dan kreeg hij kort en stug ten antwoord: “they have to do it” of “not a damn cent more”. Alle opzichters waren dus machines waarvan de overledene de machinist was. Bij onderzoek op Mariënburg zal men merken dat de overledene bij niemand geacht was, maar wel door iedereen gevreesd werd………”

Ook werd gezocht naar algemene oorzaken van de onlusten.

“Die algemeenheden komen hier op neer, dat er dikwijls iets mangelt aan de verhoudingen tusschen directeuren, opzichters en onder contract werkende immigranten vice versa. Er wordt in het beheren en besturen een zuinigheid in het vermeende belang der plantage betracht, die de wijsheid bedriegt. Dit slaat in de eerste plaats op de werktaken, die den immigranten ter verrichting wordt gegeven, naast het loon dat hiervoor wordt betaald.

Is een taak te groot en blijft men doof voor alle reclames, al ziet men dat de immigranten met de beste wil van de wereld de taak niet op een dag kan afmaken, dan ontstaat er dikwijls van de zijde dier immigranten verzet, dat gaandeweg in werkstaking en in oproer eindigt. Maar ook heel wat anders kan dikwijls aanleiding tot verzet en moord van de directeur of opzichter aanleiding geven: nl. minnenijd……..”

Met betrekking tot het voltooien van opgedragen taken moet niet vergeten worden dat in de tijd dat dit speelde, de contracten van de arbeiders vielen onder de bepaling van de poenale sanctie. Dit hield in dat het niet voltooien van de werktaak viel onder het strafrecht. Een strafrecht dat in die tijd heel wat strenger was dan die in het moederland.

En met betrekking tot de eerder genoemde minnenijd is het leerzaam wat onderzoeker Bhagwanbali in zijn boek “De nieuwe awatar van de slavernij” hier over zegt.

“De positie van de Hindostaanse vrouwen was zo mogelijk nog beroerder dan die van de mannelijke contractarbeiders. Het overschot aan mannen leidde tot grootschalige seksuele uitbuiting. Veel planters meenden bovendien recht te hebben op seks met iedere arbeidster, zowel alleenstaand als getrouwd. Na klachten hierover schreef gouverneur Lohman in 1889 aan de minister van koloniën: ‘Zulke relaties zijn hier zo gewoon, en de zedelijke begrippen zijn op het stuk van het verkeer met de vrouwelijke sekse geheel anders (dan in Holland). ‘ Oftewel: de koloniaal mocht zich straffeloos blijven vergrijpen aan de arbeidsters, onder wie zelfmoord veel voorkwam.”

En hoe liep de discussie af? Alweer een krantenbericht.

“Op verzoek van de Districtscommissaris is nauwkeurig onderzocht het werk in questie, nl. de taak, door de heer Mavor aan de rietkappers opgedragen en het is hun gebleken dat er een ruim loon betaald is geworden…..”

 

  Auteur: Jacob van der Burg

Het slavenschip Leusden

Het slavenschip Leusden

       Vorige pagina

Onderzoekers die menen dat het allemaal wel wat meeviel met die slavernij, richten zich vaak op één argument van hun “tegenstanders” en zetten hier vraagtekens bij. Lukt het ze een deuk te schieten in dat ene argument dan wordt geconcludeerd dat alle verhalen over die slavernij met een korrel zout genomen moeten worden.

En als de onderzoeker zelf niet die conclusie trekt dan is er altijd wel iemand die in de populaire pers met de conclusies op de loop gaat. Zeker als de mening komt van een wetenschappelijk geschoold onderzoeker.

Een voorbeeld is het percentage slaven dat de overtocht van Afrika naar Suriname niet overleefde. Toen critici kwamen met een percentage van 15%, werd daar door andere onderzoekers meteen tegenover gesteld dat het percentage omgekomen bemanningsleden net zo hoog lag.

Alsof daarmee ook alle omstandigheden rond het verblijf op een slavenschip wel mee zouden vallen. Er vielen trouwens ook slachtoffers onder de slaven, die niet het gevolg van ziektes of ondervoeding waren.
Iets dergelijks is het geval bij de laatste reis van het slavenschip Leusden in 1738.

Op 1 januari van dat jaar verging voor de monding van de rivier de Marowijne dit slavenschip. Door een navigatiefout van de kapitein, die meende bij de Surinamerivier te zijn aangekomen, liep het schip aan de grond.

Het schip kapseisde, de slaven die net aan dek gelucht werden, werden teruggedreven in het slavenruim, waarna de bemanning die vreesde dat zij zich op haar zouden wreken, de luiken dichtspijkerde. Van de 716 in Afrika ingescheepte gevangenen, kwamen er slechts 16 in Paramaribo aan, 664 verdronken in het dichtgespijkerde ruim en 20 waren onderweg al overleden.

Deze geschiedenis is lang onbekend gebleven. Pas in 2011, toen de Surinamer Leo Balai over deze geschiedenis een proefschrift schreef, werd er meer aandacht aan besteed. Toch is het, ook in Suriname, bij veel mensen niet bekend.

 

 

  Auteur: Jacob van der Burg

 

Titel: Het slavenschip Leusden
Auteur Leo Balai

368 pagina’s
ISBN  9789057307294
 

De oudste geschiedenis van Paramaribo

De oudste geschiedenis van Paramaribo

       Vorige pagina

foto van Plantage Jagtlust.“Voor de komst van de Europeanen hebben inheemsen langs de Surinamerivier (Suri Enija) gewoond. De hele omtrek (Palmentuin, Torarica, Waterkant en Combé) was één groot dorp. Dit dorp werd genoemd naar het groot opperhoofd “Para Moro”.

De kreek die dwars door het dorp liep, werd genoemd naar het dorp, n.l. Para Morokreek, nu bekend als Sommeldijkse Kreek. Het gebied van de Palmentuin was toen een aanmeerplaats voor boten.

Het was ook de plek waar mensen bijeenkwamen om te feesten. De aanmeerplaats werd REBHO (waterkant) genoemd. Dus zo ontstond PARA MORO REBHO, letterlijk: Het dorp aan de waterkant. Zo ontstond de naam Paramaribo. Dit deel van de geschiedenis is mondeling van ouder op kind overgedragen, omdat inheemsen geen geschreven geschiedenis kenden.”

Dit interessante stukje was voor mij aanleiding om, met als bron de West-Indische Encyclopedie (uitgegeven in 1917), me eens verder te verdiepen in het ontstaan en de groei van Paramaribo. Er blijken meerdere verhalen te bestaan.

Over de betekenis van de naam Paramaribo verkeert men in het onzekere. De naam is waarschijnlijk van zuiver Indiaanse oorsprong. Het blijkt dat er in 1613, dus 37 jaar voordat de Engelsen de kolonie Suriname stichtten, al een Amsterdamse handelspost gevestigd was bij het Indianendorp Parmarbo (of Parmurbo). Dit gebeurde op de ter plekke aanwezige zand- en grintritsen.

Deze ritsen zijn zand-, kalk- en schelpruggen waar regenwater gemakkelijk opgenomen wordt. Nagenoeg de hele duur van de Engelse heerschappij (1652-1667) was niet Paramaribo, maar Thorarica de hoofdplaats. Wel was er al de kleine nederzetting Paramaribo, maar vermoedelijk niet meer als Indiaanse nederzetting.

In 1678 werd deze beschreven als “een open vlek met eenighe verstroyde huysen”. Toen gouverneur Van Aersen van Sommelsdijk in 1683 in Suriname aankwam vond hij “het Vlek Paramaribo te bestaan in zeven- of acht en twintig Huizen, meest Herbergen en Smokkelaarskroegen”. De huizen waren van hout en bijna alle met palmbladeren gedekt.

Aanvankelijk werden langs de Waterkant en de hoge schelprits, de tegenwoordige Gravenstraat, huizen gebouwd. Het door Van Aersen aangelegde kanaal, naar hem Sommelsdijkkreek genoemd, draineerde het lage land ten Noorden van deze straat.
Evenwijdig aan de Gravenstraat, eveneens op een hoge schelprits ontstond de Keizerstraat. Tot lozing van het lage terrein tussen deze straten werd later de Knuffelsgracht gegraven, met een noordelijke tak, het Viottekanaal en een zuidelijke tak, het Picornokanaal. De westelijke grens werd gevormd door de huidige Zwartehovenbrugstraat.

Hierna ging de uitbreiding snel. Rond 1700 telde de stad al ongeveer vijfhonderd huizen, waarvan twee van steen, de rest nog van hout. Onder gouverneur Mauricius (1742-1751) breidde het aantal huizen met een derde uit. In 1773 werden aan het Corps De Vrije Negers de erven uitgegeven die de bekende wijk Frimargon zouden vormen.

Rond 1915 schetst de West-Indische Encyclopedie o.a. dit beeld van Paramaribo.

De grootte van de stad beslaat een oppervlakte van 8000 hectare bij een inwonertal van 35000 personen. Er zijn drie overdekte markten in de stad, waarvan de eerste al in 1876 werd aangelegd.
Van straatverlichting was er reeds in 1768 sprake; daarna weer in 1877, maar eerst in 1886 kwam er een petroleumverlichting tot stand, in 1899 vervangen door gaslicht.

Het drukste verkeer heeft plaats aan den Waterkant, waar de schepen laden en lossen, waar de vaartuigen van de plantages en gronden aanleggen en waar ook de kramen der Syriërs staan. Ook langs de markten is veel drukte, vooral in de morgenuren, wanneer de keukenmeiden haar inkopen doen en de nieuwtjes van den dag bespreken. Drukke straten zijn ook de Saramaccastraat, de Steenbakkerijstraat en de Zwartenhovebrugstraat. Gedurende het heetst van den dag zijn de straten stil.

Trams bezit Paramaribo nog niet. Een 20 tal jaren geleden werd er een proef genomen met een soort omnibus, door muilezels getrokken, maar de straten bleken te slecht en de onderneming werd opgeheven. Eigen rijtuigen hebben zoo goed als alleen de geneesheeren, en de huurrijtuigen laten veel te wenschen over. Auto’s hebben pas een vijftal jaren geleden hun intrede gedaan.

 

 

  Auteur: Jacob van der Burg

Breeveld

Breeveld

filmkijker

       Vorige pagina

De Breevelds zijn eraan gewend om in de schijnwerpers te staan. Het domineesgezin kent vijf kinderen, Borger, beroemd om zijn hoofdrol in Wan Pipel, politicoloog Hans, muzikant Clarence (+), dominee en stervensbegeleidster Lucia en parlementariër Carl.

Borger Breeveld (1944) is een Surinaams acteur, mediamanager bij de Surinaamse Televisie Stichting (STVS) en oprichter van Film Instituut Paramaribo. In de Surinaamse-Nederlandse film Wan Pipel (1976) speelde Borger Breeveld de hoofdrol Roy. Samen met Arie Verkuijl en Pim de la Parra heeft Breeveld het Film Instituut Paramaribo (FIP) opgericht. Hij is secretaris van de stichting Surinaamse Film Academie. Bij STVS is Breeveld televisieprogrammamaker van onder meer actualiteitenprogramma Mmanten Taki.

Johannes (Hans) Breeveld (1950) is een Surinaams politicus en politicoloog. Na zijn studie politicologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam werd hij stafmedewerker en enkele jaren later docent aan de Universiteit van Suriname. In november 2000 promoveerde Breeveld aan die universiteit tot doctor in de Maatschappijwetenschappen op zijn proefschrift over Jopie Pengel.

Clarence Breeveld sr (1948 – 2017) was een Surinaams-Nederlandse docent natuurkunde, scheikunde en electrotechniek. In 1970 vertrok Clarence Breeveld voor studie naar Nederland. Clarence Breeveld is een bekend musicus (gitaar en zang), met zijn Clarence Breeveld Formation heeft hij meerderen liederen gearrangeerd naar de Surinaamse taal en folklore. In 2017 werd hij tijdens een afscheidsconcert gedecoreerd tot Commandeur in de Ere-Orde van de Gele Ster voor de waardige wijze waarop hij Suriname in het buitenland, en met name in Nederland, heeft uitgedragen.

Lucia Anches-Breeveld is bejaardenpastor en vicepreses van de Evangelische Broedergemeente. Ze begeleidt Surinamers in het heengaan. Ze ziet de confrontatie met de dood als haar plicht: “Als dit hetgeen is waarvoor ik ben uitgekozen, dan moet ik dat doen.”

Carl Breeveld (1955) is een Surinaamse politicus en theoloog. Breeveld is sinds 26 mei 2010 lid van de De Nationale Assemblée (DNA) namens de politieke partij Democratie en Ontwikkeling in Eenheid (DOE), waar hij sinds 30 mei 2009 voorzitter van is. Hij wordt weleens ‘het geweten van het parlement’ genoemd, mede doordat hij hamert op de noodzaak van de strijd tegen corruptie.

In de over hun gemaakte documentaire Wan Famiri wordt ingegaan op hun onderlinge politieke verdeeldheid. Uiteindelijk besloot de familie afstand te nemen van de inhoud.

 

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis