De terugkerende militairen van suriname uit Australie werden hartelijk ontvangen met een optocht door Paramaribo 1947
Fostenallemaal
Johannes Charles
Regelmatig kwamen vanuit Suriname –voormalige- tot slaaf gemaakten naar Nederland. Een van ze werd bekend onder de naam Johannes Charles. Hij bouwde in Nederland een nieuw leven op, al was niet iedereen daar gelukkig mee.
Johannes Charles, ook wel Johan Charl (1788-1872) werd geboren in de omgeving van Fort Elmina aan de West-Afrikaanse kust. In 1805 werd hij als slaaf weggevoerd naar Suriname, waar hij werd verkocht aan Johannes Buschman, een koopman te Paramaribo die hem onder de naam Charl inzette als knecht in zijn pakhuis.
De EBG-er Buschman liet hem in 1812 dopen in Paramaribo, waarna hij de naam Johannes Charles kreeg en als vrij man te boek stond. Vanaf 1814 fungeerde hij als lid van de EBG in Suriname en in 1817 werd Johannes Charles meegenomen naar Nederland als bediende van de weduwe Buschman, waar hij als huisknecht fungeerde in het gezin Theodorus Johannes Buschman, eerst in Amsterdam en vervolgens in Rotterdam. Zijn zoontje Gideon –uit zijn relatie met Catharina Charlotte Blijswijk- en andere familieleden bleven achter in Suriname en verkeerden nog steeds in slavernij.
In Nederland trouwde Johannes Charles in 1824 met de Rotterdamse Elisabeth van Eijbergen. Ze woonden na hun huwelijk in Amsterdam en zouden samen 10 kinderen krijgen. Hun bijzondere familiearchief omvat familiefoto's, brieven en andere stukken die bijeengebracht zijn door dr. Robert Charles, emeritus hoogleraar Embryologie aan de universiteit van Amsterdam en een betachterkleinzoon van Johannes Charles.
Zijn “voorkind” Gideon had kennelijk ook les gehad van de EBG. Hij schreef hem in 1848 een verwijtende brief “Zonder U te berispen moet ik U melden dat het mij soms zeer onaangename gedachten veroorzaakt wanneer ik denk dat ik een Vader heb in een ver verwijderd land en dar er dagelijks schepen van Holland naar Suriname gaan zonder het minste van u te vernemen”. Gideon onderhield briefcontact en maakte ten tijde van de emancipatie melding van zijn vrijstelling door toedoen van de heer Cox.
Op de foto: een van de zoons van Johannes Charles in Nederland
Auteur: Nico Eigenhuis
Wie was Barnet Lyon?
Barnet Leon was op de plantage de gruwelijke toenmalige agent-generaal die de moorden heeft laten doen plaats vinden tegen de opstandelingen ( contractarbeiders)
– In 1874 initieerde Lyon samen met de procureur-generaal de herinvoering van lijfstraffen (zoals bekend uit de slavernij). Verschil: de contractarbeiders mochten ‘slechts’ 30 rottingslagen per keer worden toegebracht. Dat werd toegepast op zowel mannen als vrouwen (Hindustanen, Creoolse vrije arbeiders en Chinezen). Bron: Ministerie van Koloniën: 1850 – 1900; Resolutiën: 11 – 14 februari 1876; Inv. nr 2860;
– Lyon gaf toe een voorstander te zijn van het ‘oude plantagestelsel’: duidelijke hiërarchie tussen meester en slaaf. Bron: Ministerie van Koloniën: 1850 – 1900; Resolutiën: 12 – 15 jan. 1877; Inv. 2952.;
– Sadistische karakteristieken van Barnet Lyon: hij liet 15 gevangene gedurende 15 dagen zonder bescherming aan de handen en voeten brántimáká kappen op zijn plantage. Bron: Handelingen van de Koloniale Staten: 1880 -1881 p. 95;
– Lyon was waarschijnlijk de meest gehate persoon/ambtenaar onder de plantagearbeiders: Hindustanen, Creolen, Chinezen en Barbadianen. Hij liet deze arbeiders om de minste en geringste arbeidsovertreding zwaar straffen: martelen met kromsluiting en rottingslagen. Dat gebeurde gedurende de gehele migratieperiode (Indentured Laboursysteem).
Lyon was op de hoogte van de martelingen: hij ontving uit alle districtsgevangenissen geregeld rapporten van gestrafte arbeiders: de strafmaat en de duur van de straffen. Bron: Ministerie van Koloniën: 1850 -1900; Geheime Resolutiën A8-G9 1884; Inv. 6152;
– De Britse consul vond Lyon de meest ‘onoordeelkundige ambtenaar’. Dit naar aanleiding van het laten neerschieten van 7 contractarbeiders, waaronder 3 vrouwen door de marechaussee. Bron: Verbaal van de Gouverneur van Suriname. Afdeling Kabinet Geheim; Eerste afdeling: 1885 – 1938
– Barnet Lyon was hoofdverantwoordelijk voor de moord op de Hindustaanse contractarbeiders op plantage Mariënburg. Volgens hem waren de Hindustanen bezig met een machtsgreep. Zij hadden contact met Bhárat Mitra: een tijdschrift van de vrijheidsstrijders in India. Daarom moest de opstand op plantage Mariënburg heel hard worden aangepakt. Bron: Ministerie van Koloniën 1850 – 1900; Resolutiën: 13 – 19 september 1902; Doosnr. 142;
Ook de Creoolse- en de Chinese arbeiders bleven niet bespaard: de specifieke informatie over Lyon met betrekking tot de behandeling van de Chinezen en Creoolse vrije arbeiders. Bron: Resolutiën Ministerie van Koloniën: 850 -1900; Geheim Resolutiën P4 – Q9 Inv. nr. 6152;
Janey Tetary (contractant I-491), was erg moedig en dapper. Zij was tewerkgesteld op de plantage Zorg en Hoop. Zij kon de onderdrukking, de uitbuiting, het onrecht wat de contractanten en de andere arbeiders ondergingen, niet meer aan.
Naast de onmenselijke handelingen van Lyon, lagen er ook aantal andere redenen ten grondslag aan de strijd die JaneyTetary voerde tegen het koloniaal bestuur en de koloniale planters.
Enkele voorbeelden, die geleid hadden tot deze actie van Tetary:
1. vanwege het feit dat de contractanten minder werden betaald voor de verrichte arbeid, welke contractueel was overeen gekomen: in Calcutta hadden de contractanten een overeenkomst getekend waarin stond dat een volwassen gezonde arbeider een minimumloon zou genieten van 60 centen en voor vrouwen en zwakke mannen was het 40 centen per dag. Bron: Brief van N. van den Brandhof aan de Gouverneur van Suriname, 15 april 1881 in Ministerie van Koloniniën 1850-1900, Resolutiën 14-17 februarie 1885, inv. Nr. 3827;
2. contractanten die niet volgens het contract, loon naar prestatie ontvingen, konden zich niet goed voeden. Hierdoor konden zij ook niet optimaal werken. Het gevolg hiervan was dat zij fysiek achteruit gingen en bezweken aan ziekten enz. Bron: Rapport van de districtcommissaris aan de Gouverneur van Suriname, 2 oktober 1884 in Ministerie van Koloniën 1850-1900, Resolutiën 1-3 december 1884, inv. Nr. 3813;
3. Op 29 mei 1883 diende de gezagvoerder van de plantage Zorg en Hoop samen met 27 andere planters een petitie in, om de strafverordening te herzien (Dr. R. Bhagwanbali, pag. 81. Men strafte de Hindustaanse contractarbeider onophoudelijk. Bron: Brief van de vereniging voor Suriname aan de Gouverneur van Suriname, 29 mei 1883 in Ministerie van Koloniën 1850-1900, Resolutiën 15-19 september 1883, inv. Nr. 3675.
Behalve dat zij een strijder was, was Tetary een persoon die openstond om te luisteren naar problemen van haar mede lotgenoten. Een sociaal figuur was zij. Wat haar in die tijd ook bijzonder maakte, was dat zij als Moslima een Hindu kind adopteerde. Het kind van haar vriendin Radhiya, die overleed door uithongering en ziekte. Zelf had ze ook een kind.
Tetary probeerde de verschillende culturen dichter bij elkaar te brengen. Zij maakte geen onderscheid op basis van ras, geloof of cultuur. Ook onder de Chinezen en Creolen was zij geliefd.
Barnet Lyon was van 1891-1902 agent-generaal, de vertegenwoordiger van de kolonisator die in de geschiedvervalsing wordt aangeduid als de belangenbehartiger van de Hindostaanse contractarbeiders.
De opstand die begon op 24 september 1884 had zij, tezamen met Ramjanee op touw gezet. Ze wilden waar ze recht op hadden! Onder andere betaling zoals afgesproken bij het contract en een menswaardig bestaan. Mocht dat niet? Niet volgens het koloniaal bestuur, die handelde via de agent-generaal toen, Lyon. Op 26 september 1884 werd Tetary geliquideerd in opdracht van Lyon. Samen met haar nog zeven anderen.
Sranan Fosten Taki
Op 20 april 1928 vertrokken Carolina von Liebeherr en Petronella Lapar met het S.S. Commewijne van Suriname naar Nederland. Lina en Nella, twee leerlingen van de Vlechtschool van het Maria Patronaat, werden geacht om bezoekers van de Indische Tentoonstelling op aanschouwelijke wijze en “in goed Hollandsch” uit te leggen hoe panamahoeden worden gemaakt.
Het organiserend comité van de plaatselijke afdeling van de Vereeniging Oost en West had de schooldirectie verzocht ervoor zorg te dragen dat de beide afgevaardigden typische klederdracht meenamen, zodat ze als kotomisi hun land extra aantrekkelijk zouden kunnen vertegenwoordigen.
In 1913 werd de Vlechtschool als vakschool en werkplaats voor het hoedenvlechten, de zogenaamde Panamahoeden, onder leiding van de Zusters van de Congregatie van Roosendaal opgericht.
De doelstelling van deze school was de werkloosheid en de zedenverwildering van de vrouwelijke jeugd tegengaan. Om winstgevend te draaien werd er een in- en verkoopcentrale ingesteld. De vlechtschool bezat een eigen kookshop en cafetaria.
De werkneemsters hadden vrije geneeskundige behandeling en kregen korting in schoenwinkels en manufacturen zaken.
De Surinamer : nieuws- en advertentieblad d.d. 28-10-1928 schreef het volgende:
EIGEN INDUSTIE STEUNEN.
Een van de weinige ondernemingen waarvan de inkomsten niet naar het buitenland gaan is de Vlechtschool in de Mgr. Wulfinghstraat
Wat daar op de werkplaats wordt gewerkt, komt aan de werksters ten goede. Deze zijn Surinaamsche meisjes, die het over het algemeen goed kunnen gebruiken.
Gelijk de slarissen en pensioenen, die de R.K. Missie en haar leden worden uitgekeerd, hier wordt genoten, dus aan Suriname ten goede komen., zo ook de verdiensten van de Vlechtschool door de verkoop van hoeden en vlechtwerk
Koop dan in de Vlechtschool Vacantie-hoeden voor de vacantie. Schoolhoeden voor school-kinderen. Wandelhoeden.

Wanneer in verhalen van oudere Surinamers de vlechtschool van Paramaribo aan bod komt, betreft dit vrijwel altijd de Vlechtschool van het Mariapatronaat.

Over deze school vond ik bijgaande foto met de volgende toelichting.
“De Vlechtschool aan de Mgr. Wulfinghstraat te Paramaribo!
In 1913 werd de Vlechtschool als vakschool en werkplaats voor het hoedenvlechten, de zogenaamde Panamahoeden, onder leiding van de Zusters van de Congregatie van Roosendaal opgericht. De doelstelling van deze school was de werkloosheid en de zedenverwildering van de vrouwelijke jeugd tegengaan. Om winstgevend te draaien werd er een in- en verkoopcentrale ingesteld. De vlechtschool bezat een eigen cookshop en cafetaria.
De werkneemsters hadden vrije geneeskundige behandeling en reductie in schoenwinkels en manufacturen zaken. De industrie sloeg aan en de school exposeerde op tal van tentoonstellingen in het buitenland. Toch verloor het hoedenvlechten de strijd tegen manipulaties van de groothandel, mede door het ontbreken van beschermende wetten voor eigen industrie.”
Vlechtscholen waren rond 1900 geen zeldzaamheid in Zuid-Amerika
Er was een grote behoefte aan Panamahoeden en deze werden vaak in vele thuis ateliers vervaardigd. In de kwijnende economie van Suriname leek dit een ideaal middel om iets meer welvaart onder de bevolking te brengen. Scholing voor de thuiswerksters was hierbij een eerste vereiste. In 1912 werd een breed comité samengesteld met vertegenwoordigers van overheid en de belangrijkste kerkgenootschappen (katholiek en protestant). Een vertegenwoordiging van het comité reisde af naar Curaçao, waar al eerder een vlechtschool was gestart.
En in 1913 kwam het ook in Suriname zo ver. Maar dat was niet de vlechtschool van het Mariapatronaat, zoals abusievelijk in het fotobijschrift is vermeld. De eerste school werd opgezet door de overheid en had om onduidelijke reden een stille start, zoals blijkt uit een krantenbericht van 4 juli 1913.
“Namens het Comité voor de vlechtindustrie in Suriname ontvingen wij de volgende mededeeling: De vlechtschool gevestigd in de Keizerstraat L. A. 160 (benedenwoning van den Inspecteur voor het onderwijs) zal a. s. Maandag 7 Juli worden geopend zonder eenige plechtigheid. Uitnoodigingen worden dan ook niet gedaan.”
De reden van deze stille start lag mogelijk aan enige onmin tussen de verschillende geledingen in het eerder genoemde comité. Terzelfder tijd startte namelijk het Mariapatronaat een vlechtcursus in een gebouw aan de Gravenstraat. Het jaar daarop werd deze cursus daadwerkelijk omgezet in een vlechtschool, met aan het hoofd Soeur Gonzales. Zij was in 1872 in Elshout in Noord Brabant geboren als Adriana Maria Klijn, op twintigjarige leeftijd het klooster ingegaan en in 1896 in Suriname aangekomen. Hier gaf ze tot op hoge leeftijd leiding aan de vlechtschool.
Eenmaal per jaar vonden er vlechtexamens plaats, waar leerlingen van beide scholen in de gelegenheid werden gesteld diploma’s op verschillend niveau te behalen. De uitslag werd in de krant vermeld.
Gedurende korte tijd was er nog een derde vlechtschool, die van de protestantse vereniging “Ons Huis”, actief. Ook waren er enkele kleine thuisvlechtscholen van individuele vlechtsters, die hun diploma in Suriname of Curaçao hadden behaald.
Buiten Paramaribo kwam het ook tot de oprichting van een vlechtschool in Nickerie.
In 1928 werden zelfs enkele vlechtstertjes uitgezonden naar een tentoonstelling in Nederland. Toch werd de situatie steeds moeilijker voor de vlechtsters vanwege de concurrentie met industrie en groothandel .
Het langst bleef de vlechtschool van het Mariapatronaat over, waarschijnlijk doordat het bestuur de beste verkooporganisatie opgezet had en ook andere activiteiten ondernam, waaronder een aantal jaren later een aparte coupure opleiding.
Uiteindelijk werd in de vijftiger jaren van de vorige eeuw afscheid genomen van het vlechtonderwijs.
Tekst: Jacob van der Burg
(Zie ook www.plantagejagtlust.nl voor veel meer artikelen over de geschiedenis van Plantage Jagtlust en de kolonie Suriname).
Hecht en Sterk
De koffieplantage Hecht en Sterk aan de Commewijnerivier behoort tot de plantages die na de oplevering van Fort Nieuw-Amsterdam in 1747 werden aangelegd.
De plantage werd oorspronkelijk aangelegd door Jacob Mottet en kwam in 1761 in het bezit van Isaac Stolkert. Na diens overlijden kwam de plantage in handen van zijn weduwe Elisabeth Buys, zij trouwde hierna met de latere gouverneur Jean Nepveu. De volgende eigenaar van de plantage was Elisabeth’s zoon Frederic Cornelis Stolkert, die was getrouwd met Susanna du Plessis.
Ten tijde van de emancipatie in 1863 was Adolf Tielenius Kruythoff de eigenaar. Hij was pakhuismeester en lid van de Raad van Justitie. De plantage heeft daarna nooit contractanten aangeworven, en werd waarschijnlijk al kort na de emancipatie buiten productie gesteld.
In 1910 werd de plantage opgekocht door het Gouvernement om er, samen met Frederiksburg, een gouvernementsplantage van te maken. Zij werden ingericht voor de uitgifte van gronden aan contractarbeiders. Hun contracten liepen af en het Gouvernement wilde niet dat zij het land zouden verlaten. De functie van de plantage werd hiermee vergelijkbaar met die van plantages als Laarwijk en Domburg.
Op plantage Hecht en Sterk was ook de familie van de dichter Martinus Haridat Lutchman gevestigd. Lutchman (1926-2019), beter bekend als Shrinivasi, bracht in 2013 een bundel gedichten uit met als titel Hecht en Sterk.
Auteur: Nico Eigenhuis
Inwijding van de Arische tempel Arya Dewaker
In 1947 werd deze tempel aan de Wanicastraat te Paramaribo ingewijd door gouverneur Mr. J.C. Brons . Hij was gouverneur van 1944 tot 1948.
Arya Dewaker is een van de tempels van de Arya Samaj, een hervormingsgemeenschap binnen het Hindoeïsme.
De Samaji’s zijn georganiseerd in verenigingen waarvan de oudste, Arya Dewaker, in 1930 werd opgericht.
Landbouw te Marowijne
Begin 20-ste eeuw waren er de nodige ambitieuze plannen met betrekking tot de ontwikkeling van de landbouw te Marowijne. Er werden proefaanplantingen gedaan en er was een cocosplantage ter plaatse. Het kwam helaas niet echt van de grond.
De Duitser August Kappler vestigde medio 19e eeuw in het gebied de plaats Albina waar hij de houtkap ter hand nam met inzet van Duitse houthakkers. Hij meende dat aardrijkskundige kennis die in de kolonie bekend was alleen gericht was op Nederland “doch om de kennis der voortbrengselen, der ligging en andere betrekkingen van hun eigen rijk vaderland bekreunen zij zich niet. Dit is welligt eene der oorzaken, dat landbouw en nijverheid zoo zeer verwaarloosd worden.”
Een belangrijke rol voor de ontwikkelingsplannen voor het gebied had begin 20-ste eeuw had Cornelis A.J. Struycken de Roysancour, die samenwerkte met o.a. Justus Wilhelm Gonggrijp (1885-1974) het hoofd Bureau Boswezen Suriname die op zijn beurt samenwerkte met de Zwitserse professor Stahel, de directeur van de Cultuurtuin. Struycken voorzag de terugloop in de Balata-industrie en ging mee in de gedachte dat ook te Marowijne er een overgang gemaakt zou moeten worden richting het ontwikkelen van de landbouw en houtwinning. Voor de aanleg van de route van wat later de Weyne-weg zou worden maakte hij gebruik van de vluchtroute van Franse déportés, de gevluchte gestraften.
Hierna zorgde luitenant Weyne (1891-1927) die als Districtscommissaris te Marowijne werd aangesteld voor een verbetering van de weg, die een voorloper was van de Oost-West verbinding.. Het gaf een eerste invulling aan de plannen van gouverneur Van Heemstra die in Suriname inzette op het aanleggen van een goede infrastructuur in het land. Bedoeling was na het inzakken van de balata- en goudwinning de landbouw in het district tot ontwikkeling te brengen.
Na de opening van de weg door de gouverneur in 1926 liet professor Stahel bij Albina een koffieproeftuin aanleggen die werd gerund door dr D..S. Fernandes (die later Dirkshoop runde). Deze zou later worden overgenomen door de Britten Barclay en Isac die in 1922 te Galibi een beloftevolle cocosplantage waren gestart.
Als ‘spinoff’ van de medisch wetenschappelijke expeditie naar de zuidgrens van Suriname publiceerde Geijskes in 1955 over de landbouw bij de bosnegers van de Marowijne. Hij was de mening toegedaan dat er door hen sprake was van verkwistend landgebruik voor hun kostgronden, onder andere door de praktijk van vuur voor het vrijmaken van grond. Hij refereert hiernaast in zijn analyse aan het werk van Stahel die zich had verdiept in de ‘mieren-kapoeweri’.
Auteur: Nico Eigenhuis
Dede oso – rouwrituelen
Dede oso ( letterlijk: doden-sterfhuis en dodenwaken) verwijst naar de ceremonies die aan een sterfhuis verbonden zijn.
Traditioneel duurt een dede oso van de avond voor de begrafenis tot de ochtend erna. Vroeger werd er die nacht bij de nabestaanden in huis geslapen om hen bij te staan en te beschermen tegen de geest van de overledene, de yorka, die zich nog ’tussen twee werelden’ bevindt. De yorka heeft het lichaam verlaten, maar heeft nog geen eindbestemming gevonden.
Tegen het gevaar van besmetting door de yorka, en om die te manen te vertrokken, worden bepaalde gebruiken in acht genomen, zoals het bedekken van afbeeldingen van de overledene en spiegels, en het bedekken van voedsel en drank die aan gasten worden geserveerd.
De yorka wordt gunstig gesteld met voedseloffers. Gedurende een dede oso, worden soms verhalen (Anansitori’s) of anekdotes over de overledene verteld en onder begeleiding van een voorzanger worden rouw- of troostliederen gezongen ( deze oso-singi)
Na de dede oso volgt de wasi dede, begeleid door lijkbewassers en afleggers (djinari), de zogenaamde bemiddelaars tussen leven en dood. Zij dragen zorg voor de dinariwroko, de bewassing: het toonbaar maken en conserveren van het lichaam. Dan wordt het lichaam in de kist gelegd en kan er afscheid worden genomen, begeleid door de dinari, die er onder andere op toezien dat er geen tranen in de kist vallen om besmetting met de yorka te voorkomen.
Tijdens de anitriberi, de begrafenis, wordt de kist gedragen door de dragiman, die soms onder het uitvoeren van danspassen de overledene naar diens laatste rustplaats begeleiden. De danspassen en plotselinge schijnbewegingen moeten voorkomen dat de geest van de overledene hem of haar kan volgen, op de weg naar de laatste rustplaats.
Acht dagen na de begrafenis volgt de aitide, een rouwbijeenkomst die vergelijkbaar is met de dede oso.
Zes weken na het overlijden volgt opnieuw een rouwbijeenkomst, de siksiwiki, opnieuw vergelijkbaar met de dede oso. Het laatste ritueel waarmee de rouwperiode wordt afgesloten, is de puru blaka, waarbij de ziel van de overledene wordt ‘vrijgemaakt’.
Sranan Fosten Taki
Auto assemblage in Suriname
Dank aan Roland Grasman
MOETETE
In de begin jaren 70 van de vorige eeuw ontwikkelde het Amerikaanse General Motors Corporation (GMC) een goedkoop transportmiddel bestemd voor minder ontwikkelde landen. De bedoeling van GMC was om een voertuig te ontwikkelen dat voor verschillende doeleinden kon worden gebruikt, maar tegelijkertijd makkelijk lokaal te bouwen was en vooral goedkoop in de aanschaf.
In diverse landen w.o. Suriname werd deze auto geÏntroduceerd. De auto kreeg hier de naam ‘Moetete’ naar de draagmand van de inheemse Surinamers.
In Suriname werd dit grappig uitziende autootje op de markt gebracht door Fernandes Autohandel, die met de introductie van deze auto een bijdrage wilde leveren aan de Surinaamse economie, door een relatief goedkoop transportmiddel aan de consument te brengen.
Het ontwerp van de Moetete was van het Amerikaanse bedrijf General Motors Corporation (GMC), die ook de motortransmissie, achteras, voorsuspensie, stuurwiel en overige onderdelen leverde.
Alleen de chasis, body en laadbak werden lokaal vervaardigd. In Suriname maakte Doorson’s Constructiebedrijf de laadbakken, omdat ze in die tijd ook regenbakken maakten en beschikten over het dikkere plaat materiaal. De cabines van de Moetete werden gemaakt door Sampa Suriname NV. De overige onderdelen werden vervolgens door Fernandes Autohandel gemonteerd.
De motor van de Moetete was simpel, maar krachtig. Het was een 4 cylinder 1200/1300cc benzine motor met een vermogen van 54/59pk, gemakkelijk in onderhoud en service.
Auteur: Nico Eigenhuis