wikipedia
Rorac
De rooms-katholieke kerk in Rorac in de jaren (1903-1905) dat pater Dortants daar werkzaam was.
De verlaten plantage Rorac werd bevolkt door de nazaten van weggelopen slaven die zich vóór de afschaffing van de slavernij in de bossen tussen de Surinamerivier en de Commewijne schuilhielden. Na de emancipatie in 1863 besloot deze groep van circa tweehonderd weggelopen slaven niet langer in het moeilijk toegankelijke oerwoud (in het kamp van Broos & Kaliko) te blijven. De groep stond onder leiding van de broers Broos en Kaliko.
De twee belangrijkste families uit Rorac waren de families Landveld en Babel (de voetballer Ryan Babel van Ajax is hier een nazaat van). De katholieke missionarissen van Groot Chatillon bezochten regelmatig de zogenaamde Brooskampers. In oktober 1891 werd door apostolisch-vicaris Wulfingh een katholiek kerkje ingewijd.
Het was een houten kerkje waarvan het dak bestond uit pinabladeren. In deze kerk van St. Jan Baptist op Rorac werkte pater Dortants. In 1898 openden de paters een schooltje op Rorac. In 1900 werd er een volledig houten kerk gebouwd waarvan een prachtige foto bewaard is gebleven. De paters noteerden trouw het kerkbezoek.
De Heilige Mis werd één keer per maand in de kerk van Rorac opgedragen. Gemiddeld werd deze door zo´n 65 mensen bijgewoond waarvan er dertig ter communie gingen.
Er is in die tijd een afspraak gemaakt tussen broos en gouverneur van lansbergen.De afspraak was dat de broosnegers op de bijde plantages rorac en klaverblad mochten wonen, hun kamp te agata kondre moesten afbreken En in ruil voor de bijde plantages moesten zij geen aanvallen meer uitvoeren . Het was een zeer militante groep. Aangezien de periode staatstoezicht aanbrak konden de holandse boeren zich geen verliezen veroorloven De mensen hebben allereerst achter plantage klaverblad gewoond , omdat zij de overheid niet vertrouwden Het was toen bijzonder moeilijk om ze te christenen (bekeren tot het christendom) Later zijn ze op klaverblad en rorac gaan wonen ongeveer 1874
What is in a name
Omgekeerde namen (ook wel anagrammen genoemd) komen regelmatig voor in Suriname.
Johannes Jacobus Ekniv bijvoorbeeld is het kind van de Europeaan Vincke en de zwarte vrouw Catharina – zijn achternaam is de omgekeerde achternaam van zijn vader. en kind krijgt zo’n naam wanneer de vader het niet wil erkennen door het zijn achternaam te geven, maar er ook niet helemaal afstand van wil nemen.
Dan geeft hij zijn naam als anagram waardoor de vader toch herkenbaar is. Vaak wordt gedacht dat dit iets typisch Surinaams is. Dit is echter niet zo. Ook in Nederlands-Indië komt dit verschijnsel voor.
Een bekend voorbeeld uit Indië is de naam Rhemrev, waarin de naam Vermehr valt te herkennen. Een bekende Surinaamse naam die in dit rijtje valt is de naam Essed, afgeleid van de naam Dessé. Maar er zijn meerdere voorbeelden te noemen, zoals Tdlohreg (Gerholdt) of Atiuqsem (Mesquita).
Meestal worden deze namen (voor 1832) bij de doop gegeven, maar ze komen ook voor als manumissienaam. Wie namen als Nelom (molen), Rebo (ober), Netto (Otten) Reemnet (Ten Meer), Madretsma (Amsterdam) en Grebnijw (Wijnberg) omdraait herkent opeens het Nederlandse basiswoord.
Als je slaaf was had je wel een roepnaam maar geen achternaam. Bij de algemene vrijlating in 1863 (de emancipatie) kregen de ex-slaven een achternaam en vaak een extra voornaam toegewezen door hun ex-eigenaren. Er waren maar weinig regels waar de toe te wijzen namen aan moesten voldoen, een daarvan was dat het niet toegestaan was om een bestaande Nederlandse achternaam toe te wijzen. Niet Nederlandse achternamen mochten wel vrij vergeven worden.
In het toewijzen van namen was men verder eigenlijk dus volkomen vrij. De fantasie had vrij spel en daaruit kwamen veel mooie, bijzondere namen voort. Zo vergaf men aan de slaven van de houtgrond plantage Berlijn, in 1863 namen van verschillende houtsoorten, zoals Ceder, Bijlhout, Groenhart, Purperhart, Kaneelhart, Letterboom, Locus. De plantage La Prospérité gaf aan de ge.wezen slaven geslachtsnamen welke met een P begonnen, zoals Piet, Pengel, Pinas, Peroti, Pierau, Pocornie enz. Dat er in de voorbij gegane eeuwen onderlinge bloedverwantschappen waren ontstaan tussen slaven en meesters is niet verwonderlijk.
Als men de (bloed)verwantschap in de naam wilde laten doorklinken, dan moest dat met een omweg. Een Nederlandse naam toewijzen mocht immers niet. Een van de omwegen was de methode was om voor een familienaam het woord “van” te plaatsen. Een slaaf bv. van de familie Eijma kreeg bij de emancipatie de naam “van” Eijma ., op deze manier zijn een groot aantal oude Nederlandse familienamen in Suriname blijven voortbestaan. Ander methoden om (bloed)verwantschap aan te geven waren: De omgekeerde namen, voorbeelden hiervan zijn de bekende Surinaamse namen, Essed (Dessé), Reyaard (Draayer), Nemelc (Plantage Saxen was in het bezit van J.G. Clemen), Yvel (Levy), Semil (Limes), Rellum (Muller), Yssan (Nassy), etc.
De namen met letteromzetting, voorbeelden hiervan zijn Buillab-Ballub, De Vries-Served, Einaar-Raanei, Akkerman-Namrekken, Limes-Liems, Leurs-Sleur. De namen met lettergreepverwisseling, Monsanto-Montesan, DaSilva-Vasilda, Slengaarde-Gardeslen, De Vries-Vriesde. Wilkens-Kenswil, Treurniet-Nietreuren De afgekapte namen, Dragten-Dragt, Labadie-Labad, Fernandes-Fernan, Louzada-Lous, Lionarons-Lionaar, Sevenoaks-Venoaks, Arrias-Rias, Westfalen-Westfa.
De namen met toegevoegde letters(s), Einaar-Beinaar. De namen, waarin letters zijn weggelaten, Coutinho-Cotino, Fernandes-Ernandes, Fonseca-Vonska, Monsanto-Osanto, Na-har-Naar, Sanches-Anches, Pinas-Pina, Polak-Plak, Samuels-Anuels, Samson-van Amson. De namen met de verwisselde letters R en L, L en N, G en K. , voorbeelden Robles-Lobles, Lelyveld-Relyveld, Lyon-Nyon.
Susanna Du Plessis
Susanna Du Plessis
Susanna Du Plessis is één van de wreedste meesteressen geweest. Zij was getrouwd met Salomon Du Plessis en later met Frederik Cornelis Stolkert, van wie ze scheidde. Na de scheiding met Stolkert was Sussana Du Plessis de matraisse van de toenmalige Gouverneur Wichers. Dit was een van de tekenen waarom zij dacht dat ze alles mocht.
Wat ook bekend is van haar, is dat zij op de Surinamerivier met haar slavinnen ging varen en dat een baby van een van de slavinnen bleef huilen. Na twee keer waarschuwen dat de baby stil moest blijven nam ze het kind en dompelde deze in het water van de rivier. Ze gaf de baby terug aan de moeder en die ” als je haar niet stil kan krijgen is ze nu voorgoed stil!”
Susanna Du Plessis had een plantage aan de Commewijnerivier. De was plantage Mon Plaisir. Aan de overkant was er een plantage de Goede Vriendschap van de heer N.J. van Bagghen. Ze kreeg ruzie met die vrouw van de Goede Vriendschap en veranderde de naam van haar plantage in Nijd en Spijt.
Alida was een heel mooie slavin en haar meester werd verliefd op haar. Omdat de meester meer van Alida hield, sneed Sussana Du Plessis haar borst. De borst werd op een bord aan tafel aan de meester opgedoekt met de woorden ” als je dit zo lekker vind mag je het nu zelfs ook op eten!”
Op de foto ziet u het huis van Susanna Duplessi op de hoek van het plein en de Tamarindelaan tegenover het Presidentieel Paleis. Deze is in 1750 gebouwd. Vanaf 1783 werd het bewoond door haar. Susanna overleed in 1795 en werd begraven op de befraafplaats de oude Oranjetuin, waar ook haar moeder en haar eerste echtgenoot lagen. De test op haar grafsteen had zij zelfs opgesteld: ‘Eindelijk ben ik tot rust gekomen’.
Haar grafsteen ligt sinds 1835 ingemetseld in de vloer van de Hervormde Kerk in Paramaribo.
Van 1783-1795: Gewoond door Sussana Du Plessis
1796-1949: De Secretarie
Na 1949: Ministerie van Binnenlandse Zaken 2002
Heden: Het Milieu Huis (NIMOS)

Eenheid in verscheidenheid
Eenheid in verscheidenheid
Laten wij onze eigen mensen leren waarderen, in alle glorie” en “Laten wij onze vlag, de mooiste vlag, de vlag van Suriname, waarderen
De Surinaamse dichter Prevo laat de harten van vele Surinamers sneller kloppen. Previen Sewnath, zoals de dichter in echt heet, deelt op Facebook een indrukwekkende video over de eenheid en onderlinge verbondenheid en diversiteit van de Surinaamse bevolking.
In het filmpje ‘Suriname, land van diversiteit’ komen alle culturen en religies voorbij die Suriname rijk is. Over mooie en confronterende beelden met bijpassende muziek dicht Prevo confronterende woorden. “Suriname,waar de suikermolens wentelden voor Europa. Zoveel bloed is gevallen op uw lichaam. Suriname, tranen van me broeders en zusters uit Afrika, India en Indonesië. De trieste geschiedenis van Mama Sranan wil ik nimmer beleven.”
De in Paramaribo geboren Prevo roept in zijn gedicht eveneens op tot waardering van land en mens. “Laten wij onze eigen mensen leren waarderen, in alle glorie” en “Laten wij onze vlag, de mooiste vlag, de vlag van Suriname, waarderen.”
Veel mensen reageren positief en aangedaan op de video. “Kreeg hier wel kippenvel”, schrijft Shariza O Darson in een reactie.
Charlotta Elisabeth van der Lith
LITH, Charlotta Elisabeth van der (ged. Den Haag 21-11-1700 – gest. Paramaribo 5-8-1753), invloedrijke vrouw in de bestuurlijke kringen van Suriname.
Dochter van Diederich van der Lith (1660-1723), luthers predikant, en Elisabeth Baldina Helvetius (1679-1748).
Charlotte van der Lith is 5x getrouwd en werd 5 x weduwe.
Haar echtgenoten waren: Hendrick Temming (1724-1727), Carel Emilius Henry de Cheussess (1729-1734), Johan Raye van Breukelerwaard (1737-1737), Antoine Audra (1742-1744) en Bartholomeus Louis Duvoisin (1748-1751).
Haar eerste drie echtgenoten waren gouverneur-generaal van Suriname. Haar laatste twee echtgenoten waren predikant.
Charlotta van der Lith trouwde:
op 19-12-1724 in Paramaribo met Hendrik Temming (ca. 1680-1727), gouverneur van Suriname;
op 17-7-1729 in Paramaribo met Charles Emilius Hendrik de Cheusses (1702-1734), gouverneur van Suriname;
op 10-2 of 2-3-1737 met Joan Raye (1698-1737), gouverneur van Suriname;
op 7-1-1742 in Paramaribo met Antoine Audra (gest. 1744), Waals predikant;
of 27-5-1748 in Paramaribo met Martin Louis Duvoisin (gest. 1751), Waals predikant.
Van de vijf kinderen die in het gezin Van der Lith ter wereld kwamen en allemaal luthers gedoopt werden, was Charlotta Elisabeth het tweede. Charlotta’s vader was een hoogleraar in de filosofie afkomstig uit Bremen, haar moeder was de dochter van een bekend Haags medicus, Johannes Fredericus Helvetius (1630-1709), die oorspronkelijk uit Köthen (Anhalt) kwam.
Het gezin Van der Lith leefde in redelijke welstand en woonde aan het Noordeinde in Den Haag. De ouders hadden goede connecties in Duitse diplomatieke kringen, zoals blijkt uit het feit dat de gezant van de Pruisische koning bij de doop van Charlotta Elisabeth aanwezig was en dat de baron von Smetlau, ‘Geheime Raad van Zijn Koninkl. Maj. van Pruisen’ en diens vrouw haar peetouders waren.
Waarschijnlijk in 1722 vertrok Charlotta naar Suriname. Op 25 september van dat jaar meldde zij zich met een attestatie uit Den Haag bij de gereformeerde gemeente in Paramaribo. De reis naar Suriname maakte Charlotta als gouvernante van de dochter van Machteld van Wouw en Hendrik Temming, die in 1722 benoemd was tot gouverneur van Suriname. Niet lang na hun aankomst overleed Machteld van Wouw.
Huwelijken
Eind 1724 trouwde Charlotta Elisabeth van der Lith in Paramaribo met de weduwnaar Hendrik Temming. Het was haar eerste, maar zeker niet haar laatste huwelijk. Dat zij kans zag drie gouverneurs achtereen te trouwen mag op zijn minst opmerkelijk heten. Dat zij zich in haar laatste twee huwelijken, met predikanten, tegen de dan fungerende gouverneurs keert, wekt vermoedens over haar ambities – en eventueel haar karakter – die niet te verifiëren zijn.
Waarschijnlijk vonden ondertrouw en huwelijk van Charlotta en Hendrik op dezelfde dag plaats. Het echtpaar kreeg een dochter, Johanna Baldina (1726-1774). Nog geen jaar na haar geboorte overleed Temming. Charlotta, dochter Johanna en Temmings dochter uit zijn eerste huwelijk, Catharina Eleonora, erfden zijn plantage Berg en Dal (ook: Bergendaal), waarvan overigens een deel al sinds haar huwelijk op Charlotta’s naam stond. Charlotta bleef in de gouverneurswoning aan het Plein wonen. Stiefdochter Catharina Temming vertrok in 1729 naar Den Haag, maar zou zes jaar later met haar man, Jacob Alexander Henri de Cheusses (1704-1735), terugkeren naar Suriname.
Temmings opvolger als gouverneur, Hendrik de Cheusses, vrijgezel en broer van de zojuist genoemde Jacob, arriveerde op 9 november 1728 in Paramaribo en trof daar de weduwe Temming aan in het houten gouverneurshuis. Al op 1 januari 1729 gingen de weduwe Temming en Hendrik de Cheusses in ondertrouw. Zij trouwden echter pas een half jaar later. Uit deze verbintenis werd, op plantage Berg en Dal, een dochter geboren, Henriëtte Maria (1731-1763), die net als haar halfzusje al jong vaderloos werd: Hendrik de Cheusses overleed begin 1734 (in 1731 had hij nog een aanslag overleefd). Weer bleef de weduwe in het gouverneurshuis wonen, door wijlen haar tweede echtgenoot inmiddels herbouwd in steen.
De Cheusses’ opvolger als gouverneur was zijn broer Jacob Alexander, echtgenoot van Catharina Temming, de stiefdochter van Charlotta Elisabeth. Jacob Alexander stierf echter kort na zijn ambtsaanvaarding. Zijn zwangere weduwe bleef met haar stiefmoeder achter in het gouvernementshuis. De verhouding tussen de twee weduwen De Cheusses schijnt niet erg vriendschappelijk geweest te zijn. Over de door hen samen geërfde plantage Berg en Dal hebben zij nog lang met elkaar overhoop gelegen.
In 1735 kwam er weer een vrijgezelle gouverneur naar Suriname: Joan Raye, heer van Breukelerwaard, aanvaardde op 22 december van dat jaar zijn nieuwe functie. In de gouverneurswoning woonde nog altijd Charlotta Elisabeth, weduwe De Cheusses, met haar stiefdochter. Ruim een jaar na zijn aankomst, begin 1737, traden Charlotta en Joan Raye in het huwelijk. In juli van dat jaar verliet stiefdochter Catharina Temming voorgoed Suriname.
Als gouverneur riep Raye weerstand op bij de kolonisten, die zich bij de Staten-Generaal in Den Haag beklaagden over diens ‘despotieke conduiten [: optreden]’. Raye diende zijn ontslag in, maar overleed voordat het zover kwam. Enkele maanden na zijn dood bracht Charlotta hun zoon Joan (1737-1823) ter wereld. Rayes plantage Breukelerwaard viel aan haar toe.
Charlotta Elisabeth, weduwe Raye, hertrouwde vierenhalf jaar later met de Waalse predikant Audra. Deze overleed echter al in mei 1744, op de plantage Breukelerwaard. Ook het vijfde en laatste huwelijk van Charlotta Elisabeth, weduwe Audra, was van korte duur: de uit Zwitserland afkomstige Duvoisin, eveneens Waals predikant, met wie zij in mei 1748 trouwde, stierf eind 1751.
Nageslacht en nalatenschap
Alledrie de kinderen van Charlotta van der Lith zijn op enig tijdstip naar Nederland vertrokken. Johanna Baldina Temming woonde in 1742 in Den Haag, waarschijnlijk bij haar grootmoeder Van der Lith. Zij trouwde in 1745 met de koopman Etienne Couderc (gest. 1774) en keerde met hem terug naar Suriname, waar hij Raad van de Politie en de Criminele Justitie werd. Na haar mans dood vertrok zij naar patria en stierf het jaar daarop in Amsterdam. Henriëtte Marie de Cheusses trouwde in 1753 in Den Haag met Philip Hendrik baron van Lindau en verhuisde naar Duitsland, waar zij tien jaar later in Kassel overleed. Joan Raye jr. ten slotte werd omstreeks zijn elfde naar het vaderland gestuurd, waar hij in Leiden een rechtenstudie voltooide. Hij bleef ongehuwd en is nooit naar Suriname teruggekeerd.
Charlotta van der Lith was een welgestelde vrouw. Weliswaar was het rendement van de houtplantage Berg en Dal waarschijnlijk laag, de suikerplantage Breukelerwaard, door Raye als terrein gekocht en vermoedelijk vrijwel geheel door de weduwe Raye opgebouwd, moet wel winstgevend zijn geweest. Bij haar overlijden werd Berg en Dal getaxeerd op 96.888 gulden en Breukelerwaard op bijna het drievoudige: 278.000 gulden.
De cabale
In Suriname was in die jaren sprake van ernstige fricties tussen bepaalde groepen kolonisten en opeenvolgende gouverneurs die, als vertegenwoordigers van de in Amsterdam gevestigde Sociëteit van Suriname, het doelwit werden van irritaties over de wijze van bestuur door de Sociëteit. Dat overkwam Joan Raye, maar ook zijn opvolgers Gerard van de Schepper, die in 1742 ontslag nam omdat hij genoeg had van de tegenwerking door de kolonisten, en Jan Jacob Mauricius (1692-1768), die op 17 oktober 1742 de functie van gouverneur-generaal aanvaardde. De protesterende kolonisten waren losjes verenigd in een ‘cabale’ van met elkaar verwante families. Daarin was Charlotta Elisabeth, eerst als mevrouw Audra, later als mevrouw Duvoisin, een van Mauricius’ felste tegenstanders. Het machtsspel kwam neer op een lange reeks van bestuurlijke maatregelen, protesten, intriges, ruzies en wederzijdse persoonlijke antipathieën, rancunes en beledigingen. Volgens Mauricius was de cabale eropuit om het bestuur van Suriname aan de Sociëteit te onttrekken en onder toezicht van de Staten-Generaal te stellen, een plan dat volgens hem onder anderen ‘de befaamde Madam du Voisin heeft uitgebroeid’ (geciteerd Van der Meiden, 121).
In 1747 zond de cabale op eigen kosten de advocaat Salomon du Plessis (1705-1785) met een volmacht – mede ondertekend door Charlotta – naar het vaderland om daar het nodige te ondernemen teneinde de terugroeping van Mauricius te bewerkstelligen.
Aanvankelijk leek hij succes te hebben: in 1751 werd Mauricius op non-actief gesteld. In mei 1753 echter zuiverden de Staten-Generaal hem van alle blaam en verleenden hem eervol ontslag.
Drie maanden na Mauricius’ eerherstel overleed zijn aartsvijandin, de weduwe Duvoisin, geboren Charlotta Elisabeth van der Lith. Zij werd begraven in Fort Zeelandia.
Reputatie
De faam van Charlotta Elisabeth van der Lith is onverbrekelijk verbonden met de strijd van de cabale tegen gouverneur Mauricius. In de literatuur over deze kwestie krijgt zij een kwaadaardig, heerszuchtig en driftig karakter toegeschreven. Dit wordt soms ondersteund door verhalen over ruzies en gebeurtenissen die min of meer buiten de kwestie-Mauricius vallen.
De Cabale
Na haar derde huwelijk is Charlotte van der Lith een actieve rol gaan spelen in het verzet tegen de Hollandse invloed op het bestuur van de kolonie. Dat verzet is de geschiedenis ingegaan als de Cabale. De naam is afkomstig uit het verweerschrift dat gouverneur Jan Jacob Mauricius (1692-1768) heeft geschreven na zijn gedwongen aftreden in 1751. Met de Cabale duidde hij de groep mensen aan, van wie hij tijdens zijn bewind forse tegenwerking had ondervonden bij zijn pogingen om het bestuur in Suriname te reorganiseren en de kolonie weer in het gareel te krijgen.
Voorgeschiedenis
In december 1734 had gouverneur-generaal Jacob Alexander Henry de Cheusses de eerste steen gelegd van het Fort Nieuw-Amsterdam. De bouw van dit fort was onderdeel van een plan om de verdediging van Suriname in een periode van zeven jaar weer op orde te brengen. Die verdediging was jarenlang verwaarloosd door de Sociëteit van Suriname en alle partijen waren het erover eens dat er snel iets aan gedaan moest worden. Het struikelblok was alleen de financiering. Na veel touwtrekken waren de Sociëteit en een vertegenwoordiging van de kolonisten op 8 december 1733 in Amsterdam tot een akkoord gekomen. De Sociëteit zou geschikte werklieden en bouwstoffen leveren en jaarlijks ƒ 30.000 bijdragen aan de kosten. De kolonie zou jaarlijks ƒ 60.000 opbrengen en voldoende slaven voor het werk beschikbaar stellen. Op 18 december 1733 werd dit akkoord door de Staten-Generaal goedgekeurd.
Het akkoord bleek in de praktijk echter op veel weerstand te stuiten. De plantagehouders waren het niet eens met het aantal slaven dat zij moesten afstaan en met de vergoeding die daar tegenover stond. De leden van het Hof van Politie en andere rijke ingezetenen van de kolonie lagen dwars omdat zij de extra belasting die zij moesten betalen, veel te hoog vonden. Een en ander leidde tot ernstige fricties met de gouverneur.
In 1736 beklaagden de leden van het Hof zich bij de Staten-Generaal over “de despotique conduites van den nieuwen Gouverneur” Johan Raye. Raye diende daarop in 1737 zijn ontslag in, maar hij overleed voordat er een reactie uit Holland was gekomen. Zijn opvolger Gerard van de Schepper werd gekapitteld door de directeuren van de Sociëteit na een incident tussen de weduwe Raye (die nog steeds in het gouvernementshuis mocht blijven wonen) en zijn zoon Herman Nicolaes.
Charlotte beklaagde zich bij de directeuren, maar Herman Nicolaes weigerde zijn excuses aan te bieden. Na een volgende kwestie met de directeuren gaf Van de Schepper te kennen genoeg te hebben van de “vitterijen”. Op 15 oktober 1742 werd hem ontslag verleend. Al op 7 februari 1742 had de Sociëteit Jan Jacob Mauricius tot gouverneur-generaal benoemd om aan de problemen een einde te maken. Mauricius kwam op 14 oktober 1742 in Suriname aan en trad op 17 oktober in functie.
George Fredrik Alexander Barron
Geboren op 5-11-1949 in Moengo – overleden Paramaribo 27-4-2017 – Begraven op de begraafplaats Hodie Mihi Cras Tibi aan de Dr. Sophie Redmondstraat in Paramaribo
Meester-beeldhouwer George Barron, dit jaar overleden op 67-jarige leeftijd, was tussen zijn twintigste en dertigste het actiefst. In de openbare ruimte herinneren twee beelden in het rijststadje Wageningen aan zijn meesterschap.
Het metershoge beeld Alida maakte hij in 1973 ter ere van 110 jaar afschaffing slavernij. Vlak daarna kreeg hij de opdracht een beeld te maken vanwege een jubileum van het toen bloeiende modelbedrijf Stichting Machinale Landbouw (SML) te Wageningen.
Dat laatste werd een vier meter hoog abstract beeld van bauxietcement, geboetseerd op een skelet van ijzer, dat centraal op het pleintje van het dorp staat. George Barron organiseerde toen ook een solotentoonstelling van wat kleinere beelden in het toen keurige, actieve, pas geopende Cultureel Centrum Nickerie.
George Barron werd net als zijn jongere broer, de schrijver/dichter Gerrit Barron, geboren te Moengo, in een arbeidersgezin met ouders die als hobby’s verhalen vertellen, zingen en toneelspelen op verdienstelijke wijze bedreven.
Verder werd de kinderen Barron van jongs af geleerd flink de handen uit de mouwen te steken, zodanig dat spelen er soms bij in schoot. Vooral George en Gerrit hebben hun jeugd als een leerschool ervaren om ondernemers te worden die met een tomeloze energie werkten. George Barron is achtereenvolgens een redelijk succesvolle beeldhouwer, wintitherapeut in Suriname en Nederland en projectontwikkelaar in Suriname geweest.
In 1984 werd er in Amsterdam, aan de Brouwersgracht een centrum voor winti-therapie geopend onder de naam Hakwatimba. De leider van de organisatie is een jonge man, George Barron, die zegt eigenlijk niet met winti te zijn opgegroeid. Pas later is hij zich op de cultureIe erfenis gaan bezinnen. Hij heeft een zekere scholing gehad, doorliep de MULO in Suriname en heeft verschillende invloeden ondergaan, onder andere van Transcendente Meditatie.
Hij heeft deze op een persoonlijke manier verwerkt, en het resultaat is een hoogst gevarieerde assemblage van cultuurelementen. Hij vertelt dat hij, voor de onderneming van start ging, een offer aan de Goon Mama, de Moeder Aarde van Amsterdam heeft gebracht, en daarnaast spreekt hij over minder traditionele elementen: vibraties en dergelijke krachten.
Hij meent zelf een synthese te hebben gevonden; als kern ziet hij dat het hier om een natuurreligie gaat. De natuur moet men altijd dienen, op straffe van allerlei onheil. Hij werkt veel met kruiden, die vers worden geïmporteerd uit Suriname.
Daar heeft hij een eigen kwekerij. Overigens is hij van mening dat niet de hele reeks van geesten uit het traditionele pantheon afzonderlijk behoeft te worden behandeld, want alle ziekmakende geesten komen, naar zijn inzicht, via de voorouders. genezingsritueel.
Joost Jansen Ir.
Joost Jansen werd op 18 december 1930 (1930 – 2017) geboren in Commewijne op de plantage Peperpot waarvan zijn grootvader en daarna zijn vader directeur waren. Na een bijzonder fijne jeugd op de plantage, vertrok hij in 1947 voor verdere studie naar Nederland. In 1950 begon hij met zijn studie mijnbouwkunde aan de Technische Universiteit Delft. Daar leerde hij Flory kennen, trad in 1956 in het huwelijk met haar en na afronding van de studie keerde hij met haar terug naar zijn geboorteland in 1958.
Daar trad hij meteen als veldgeoloog in dienst van de Geologisch Mijnbouwkundige Dienst (GMD) van Suriname. Zijn grote passie was het veldwerk in het oerwoud waar hij wel 220 dagen per jaar verbleef. Hij hield van de verkenningstochten met de veldploegen en genoot van de avonden in het kamp als de arbeiders rondom het kampvuur samenkwamen en hun verhalen vertelden. Dan voelde hij zich pas thuis. Het is tijdens een van deze veldwerken dat onder zijn leiding de bauxietvoorkomens van het Bakhuisgebergte zijn ontdekt.
In 1966 ging Joost werken bij de geologische dienst van Suralco. Deze maatschappij was juist bezig met een grootschalig exploratieprogramma in het Nassau- en Lelygebergte, maar ook de Oostelijke kustvlakte en het gebied rondom Lelydorp-Onverdacht werden systematisch afgeboord.
Zelf heeft Joost ook drie jaren op Moengo gewoond met zijn gezin. Hij ontwikkelde zich ook tot een van de beste bauxietgeologen van het land. De bauxietexploratie voerde Joost wederom door zijn geliefde oerwoud waar hij zijn grote kennis van flora en fauna kon uitbreiden.
In zijn vrije tijd trok hij vaak met zijn goede vriend Frans Bubberman (toenmalig hoofd van LBB) erop uit om diverse archeologische opsporingen te doen.
Na de exploratiewerkzaamheden kreeg Joost de leiding over het plannen en bewaken van de verschillende mijnbouwactiviteiten van Suralco in Lelydorp en Moengo. Met name de begraven bauxietafzettingen van Lelydorp vereisten de gecompliceerde inzet van grote machines zoals de 1350 dragline en slurryfier om de bedekkende lagen te verwijderen.
Het Alcoa management in Pittsburgh raadpleegde hem veelvuldig vanwege zijn grote kennis en kunde. In deze functie is hij enige jaren mijn leidinggevende geweest toen ik ook werkzaam was bij Suralco. Hij was een bijzonder plezierige baas, vol met allerlei tori’s uit het binnenland en ik heb heel veel van hem kunnen leren.
In 1990 is Joost met Flory naar Jamaica verhuisd waar hij werkzaam was bij Jamalco, een Jamaicaans bauxietbedrijf. Natuurlijk miste hij het Surinaamse oerwoud heel erg, maar vanwege zijn avontuurlijke geest schafte hij een zeewaardig zeiljacht aan waarmee hij tochten rondom Jamaica en de Bahama’s ondernam.
Ir Joost Janssen is op 24 oktober 2017 in Nederland overleden. Hij was in leven één van de voornaamste mijnbouwkundigen/geologen in de bauxietindustrie van Suriname.
Frans Bubberman Ir.
De man die het Surinaamse oerwoud wist te doorgronden.
Frans Bubberman overleed 15 mei op 90-jarige leeftijd. (1929-2019)
Op 14 januari 1945 wordt de Schiedamse familie Bubberman, man, vrouw, twee zoons en een dochter plotseling gearresteerd en afgevoerd naar de strafgevangenis in Scheveningen, bijgenaamd het Oranje Hotel. Zoon Ary Bubberman heeft voor het verzet wapens verborgen. Hij wordt samen met zijn vader en broer Frans op de trein gezet naar het concentratiekamp Neuengamme. Frans, 17 jaar oud, weet onderweg vlak voor de Duitse grens uit de rijdende trein te springen, de duisternis in.
Vier nachten lang had hij door bezet Nederland gelopen, terug naar zijn moeder. Wat er van zijn medespringers was geworden, of ze hun sprong überhaupt hadden overleefd – hij had geen idee. Na de oorlog bleken vader en de oudste zoon Bubberman in het kamp omgekomen.
En de jonge Bubberman was blijven lopen, maar nu in de onmetelijke Surinaamse jungle, waar hij na zijn Wageningse studie was gaan werken.
Bubberman ging tropische bosbouw studeren in Wageningen.
In Suriname kreeg hij een baan als houtvester bij ’s-Lands Bosbeheer (LBB). Door middel van intensief veldwerk ontwikkelde hij een methode om het waardevolle schilfhoutsoort baboen via luchtfoto’s op te sporen. Ook lukte het hem op grond van de vegetatie plekken te ontdekken in de enorme oerwouden die ooit bewoond waren.
In 1964 werd hij benoemd tot hoofd van het LBB. ‘Hij werd een groot kenner van het tropisch oerwoud en verrichte pionierswerk op het gebied van archeologie en cartografie van Suriname’, zegt Hillebrand Ehrenburg, die zelf jarenlang in Suriname werkte en nu een boek schrijft over de infrastructuur van het land. In totaal werd onder Bubbermans leiding 1.500 kilometer aan ontsluitingswegen en oeververbindingen over de vele rivieren aangelegd.
Bubberman was vaak gekleed in kuitlaarzen. Voor Bubberman waren deze schoenen functioneel, omdat ze makkaslang bestendig waren. Hij is het meest bekend geworden als bosbeheerder en als de controleur van het natuurpark Blaka Watra, waarbinnen de toenmalige premier Pengel zijn buitenverblijf had laten opzetten. Ook betrokken bij het natuurpark Browns-berg en heeft dat jaren ook zien beheren volgens regels van natuur behoud. Bubberman, Molgo en vader Haukes sr., hebben de weg naar Amotopo aangelegd.
Tijdens zijn jarenlange dienstperiode als houtvester, was hij niet zelden in het binnenland en werd daarbij veelal vergezeld van zijn grote vriend Eduard Molgo. Bubberman was ook een ervaren woudloper en samen met Molgo waren zij de bruggenbouwers uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw.
In een gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van 50 jaar ministerie van Opbouw thans ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, werd er ook een bladzijde aan deze bijzondere man die zielsveel van Suriname en vooral ons bos hield, gewijd.
Het volgende werd vanwege het voormelde departement over Bubberman opgetekend: Doelmatig bosbeheer en verantwoorde bosexploitatie vormen de grondslagen voor de benutting van de bossen in een ontwikkelingsland. Bij dit bosgebruik spelen bosinventarisatie (om te weten wat er is) en bosontsluiting (om het gevonden bos te kunnen bereiken) een onmisbare rol.
Dit zijn bij uitstek de werkterreinen in Suriname waarop ir. Frans Bubberman onuitwisbare sporen heeft nagelaten en waarvoor hij ook zijn sporen heeft verdiend. Ir. Frans Bubberman komt in 1957 als houtvester in dienst van de Dienst ’s Lands Bosbeheer.
In die periode wordt net de eerste ronde van de nationale bosinventarisaties afgesloten (1949-1959). De jonge houtvester Bubberman krijgt de opdracht om de inventarisatie af te ronden. Door middel van intensief veldwerk ontwikkelt hij een methode om de waardevolle schilhoutsoort Baboen te identificeren op luchtfoto’s waarna intensieve kartering van de Baboen zwampgebieden volgt.
Deze bosinventarisatie voert hem naar tal van onbewoonde gebieden, waarbij hij gegrepen wordt door de grootsheid van de Surinaamse natuur. Op deze tochten komen ook op de meest onverwachte plaatsen sporen van menselijke bewoning aan het licht. De luchtfoto interpretatie die aan terrestrische exploratie en ontsluiting vooraf gaat, vestigt ook zijn aandacht op vreemde structuren, afwijkende vegetatie die slechts door vroegere menselijke invloeden is te verklaren. Zo wekt zijn professionele werk bij hem ook belangstelling voor de archeologie en voor natuurbescherming op.
Door zijn wijze van inzet, raken zijn werk en zijn liefhebberijen steeds meer met elkaar verweven, waardoor ‘Bubberman’s Lands Bosbeheer’, ‘Bubberman / Bosontsluiting en Wegenbouw’ en Bubberman/Archeologie’ onafscheidelijke begrippen van elkaar zijn geworden in de Surinaamse samenleving.
In 1964 wordt ir. Frans Bubberman definitief benoemd tot hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer. In de hoedanigheid van hoofd van ’s Lands Bosbeheer, raakte hij ook actief betrokken in de werkzaamheden van vele overheidscommissies, stuurgroepen, adviesraden en dergelijke. Hij heeft bijzonder veel werk verzet in de stuurgroep die belast is met de voorbereiding van de spoorlijn in West-Suriname, de milieustudiegroep Kabalebo-Apoera en de begeleiding van West-Suriname projecten in het algemeen.
Naast zijn werk als diensthoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer en zijn bijzondere bemoeienis met Bosbeheer en Bostoezicht, heeft hij zich vooral in de jaren 1967 toegelegd op het tot stand brengen van diverse thans internationaal bekende Surinaamse natuurreservaten. Ten slotte heeft hij zich door de jaren heen laten kennen als een ijverig publicist die de resultaten van het beleid van het ministerie altijd op boeiende wijze aan het publiek wist te presenteren.
Plantage Zoelen
Plantage Zoelen was een koffieplantage aan de Commewijnerivier in het district Commewijne in Suriname. Zij lag rechts bij het opvaren, stroomafwaarts naast plantage Voorburg en stroomopwaarts naast plantage A la bonne heure.
De plantage werd in 1749 aangelegd door Willem Hendrik Pieck en Constantinus Gerardus Nobel. Pieck was baron van Zoelen en Brakel, Heer van Aldenhaag, Munnikenland en Enspijk en ambtman van Beesd en Rhenoy. In 1732 was hij met Johanna van Aerssen gehuwd, een dochter van François van Aerssen van Sommelsdijck en kleindochter van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck, de gouverneur van Suriname.
Nobel was koopman in Amsterdam en familie van Geertuida Nobel, de eigenares van Geertruidenberg en Pieter Contantijn Nobel die in 1774 de tegenovergelegen plantage Rust en Werk kocht.
De plantage was bij aanleg 2 keer zo groot als de meeste andere plantages in dit gebied. In 1768 was de plantage in bezit van Sigismund Vincent Lodewijk Gustaaf Koenen. Hij was twee jaar eerder in Suriname aangekomen en een jaar later getrouwd met Johanna Dieulefit.
Hij werd Raadsheer van het Hof van Civiele Justitie. Na zijn overlijden in 1772 verkocht Johanna de plantage in 1778 aan Jean Nepveu die de plantage overdroeg aan zijn dochter Martha Johanna, echtgenote van Jean Daniel de Meinertzhagen. Na zijn overlijden in 1782 ging Martha Johanna terug naar Nederland en hertrouwde in 1794 met Cornelis Karsseboom, oud raadfiscaal van Suriname. In 1790 werd de plantage uitgebreid met 10 kettingen in de breedte. Omstreeks 1817 werd de plantage omgezet tot een suikerrietplantage. Door de uitputting van de bodem was de grond niet meer geschikt voor de teelt van koffie.
In 1838 verkocht de familie De Meinertzhagen de plantage aan Gustav Nicolaus Linck, afkomstig uit Hamburg. George Nicolas Linck was één van de grootste plantage-administrateurs in Suriname. Linck beheerde in 1821 13 plantages waarvan 6 van hemzelf. Hij was administrateur van de firma Insinger en Co. Deze firma was eigenaar van daartoe opgerichte negotiaties, die onder andere katoen-, suiker en cacaoplantages omvatten.
De plantages stonden ter plaatse onder beheer van administrateurs zoals onder anderen Q.G. Pichot, Linck en J.W.H. Kleine. De directeur Jacques Louis Guicherit werd in 1842 ontslagen. Dit was op andere plantages ook al gebeurd vanwege conflicten met de slavenmachten. Ook in 1854 gebeurde dit weer als directeur van Nieuw Grond.
Na het overlijden van Linck werd de firma eigenaar van de plantage. Ook de plantages Nieuw Grond, Wederzorg, Anna Catharina en Charlottenburg waren eigendom van deze firma.
In 1850 kocht de Amsterdamse koopman Gijsbert Christiaan Bosch Reitz de plantage. Hij was toen al eigenaar van de naastliggende plantage Geertruidenberg.
Na de emancipatie in 1863 en de daaropvolgende 10 jaar van staatstoezicht verschenen in 1873 de eerste werknemers uit Brits-Indië. De ruime meerderheid van de Javaanse contractarbeiders werden na hun aankomst te werk gesteld op de plantages Mariënburg en Zoelen. De naamgeving van plantage Zoelen wordt door de Javanen gekoesterd met de betekenisverwante naam uit Nederlands-Indië, namelijk de plaats Solo uit Midden-Java.
Vanaf 1882 werd de plantage opgenomen in de Landbouw Maatschappij Commewijne, een onderneming die was opgericht door Jean Philippe Bosch Reitz, de zoon van Gijsbert Christiaan. Het bedrijf leverde suikerriet aan de nieuwe centraalfabriek van de Nederlandse Handel-Maatschappij te Mariënburg. In 1889 zijn de aandelen overgenomen door de Nederlandse Handel-Maatschappij en ging de plantage op in Mariënburg.
