De gekleurde elite van Suriname

De gekleurde elite van Suriname kwam met name tot stand via ‘Surinaamse huwelijken’, planters die er een relatie op na hielden met tot slaaf gemaakte vrouwen, die veelal door hen in vrijheid werden gesteld via een ‘manumissie’. Dit was waarschijnlijk ook het geval met Anna Maria van Gelderland, die na de grote brand van Paramaribo onderdak gaf aan de Katholieke Missie.

Anna Maria van Gelderland (1765-1821) ontleende haar naam aan plantage waaraan ze afkomstig was, Gelderland. Ze was tevens bekend onder de naam Anna Maria Martina van Schelkes. De desbetreffende Schelkes was Everardus Marcus Schelkes (1767-1819) Raadsheer aan het Hof van Politie, en eigenaar van plantages De Goede Vreede en Klein Perou.

Schelkes (1767-1819) was als Raadsheer aan het Hof van Politie kennelijk goed ingevoerd. Hij schafte in de tijd van Friderici in 1799 houtplantage La Ressource aan, gelegen aan de Saramaccarivier, en tevens bij het naast Groningen gelegen Columbia een perceel. Na het overlijden van Everardus Marcus Schelkes zou zijn concubine, de vrije Anna Maria van Gelderland zijn bedrijf voortzetten.

Na de grote brand van Paramaribo in 1821 zou ze onderdak bieden aan de Katholieke Missie, bestaande uit Paulus Antonius Wennekers (1789 -1823) die in 1817 als pastoor en prefect naar Suriname was gekomen met Van der Horst als zijn kapelaan. Anna Maria Martina van Schelkes, afkomstig van plantage Gelderland -ook bekend als Anna Maria van Gelderland-, die door Wennekers geïnstrueerd werd stervenden te dopen. Lang zou ze deze rol niet vervullen, omdat ze in datzelfde jaar -1821- kwam te overlijden.

Hierna zou Jason Everardus van Schelkes -kennelijk de zoon van Everardus Marcus Schelkes en Anna Maria- zich inspannen om een manumissie te regelen voor een tweetal personen die hem na stonden. Het kwam uiteindelijk na jaren tot een tweetal manumissies, te weten in 1835 van Hendrik, die hierna door het leven zou gaan als Hendrik Everardus Moestuin, en nadat Jason Everardus Schelkes in 1842 zelf was overleden ook van Princes -kennelijk de moeder van Hendrik- , die hierna een bijzondere naam zou krijgen, te weten Elisabeth Moeite

Wennekers kocht met zijn missie zes ‘slavenkinderen’, die door arbeid hun vrijheid konden verdienen. Wennekers en Van der Horst stierven beiden in Martina’s huis, respectievelijk in 1823 en 1825. Na hun overlijden kwam er geld beschikbaar voor de bouw van een nieuwe kerk.

Bisschopshuis anno 1930

 

Fosten Tori, Geschiedenis, verleden, fosten, oorsprong, gron, roots, rutu, gron, reis

Auteur: Nico Eigenhuis blank

meer