Plantage Jagtlust

← Terug

Plantage Jagtlust, gelegen aan de Suriname rivier, was één van de ruim vierhonderd plantages, die Suriname ooit telde. Mijn interesse in de plantage werd in mijn jeugd al gewekt (hierover later meer). Bij een recent bezoek aan Suriname trof ik toevallig(?) een aantal mensen die op één of andere wijze met Jagtlust verbonden waren. De één stamde af van Hindostaanse contractarbeiders die op de plantage gewerkt hadden. Een ander telde in zijn stamboom iemand die als slaaf op Jagtlust werkte ten tijde van de afschaffing van de slavernij. Een andere ontmoeting bracht ons in contact met iemand die net een perceel grond op het plantage terrein gekocht had om een huis op te bouwen. Naar voren kwam de vraag of er nog ergens een archief van de plantage bewaard zou zijn.
Terug in Nederland ging ik op zoek en stuitte bij het Amsterdamse Stadsarchief op stukken van de Bank Insinger en Co, waarin een aantal documenten betreffende Jagtlust aanwezig was. Helaas loopt dit archief niet verder dan ergens in de 18e eeuw. Hoewel niet groot, lijkt de plantage wel een meer dan gemiddelde plaats in de Surinaamse historie gehad te hebben. Dit, gevoegd bij mijn al bestaande belangstelling heeft mij ertoe aangezet te proberen, op grond van algemene gegevens toch een soort dossier Plantage Jagtlust aan te leggen. Een dossier waarvan ik hoop dat het zal groeien in de loop van de tijd. Aanvullingen en kritiek zijn altijd welkom. Er zal dankbaar gebruik van gemaakt worden!

In de geschiedenis van Jagtlust weerspiegelt zich natuurlijk ook de historie van de kolonie Suriname in haar geheel. Daaraan kan en moet niet ontkomen worden
In Nederland lijkt de belangstelling voor Suriname niet heel groot. In gesprekken daarover komen voornamelijk zaken als de slavernij en decembermoorden naar boven. Gekoppeld aan de Zwarte Piet discussie komt telkens weer de eventuele schuld van Nederland en het aanbieden van excuus aan bod. Er lijken alleen uitersten te bestaan.
Aan de ene kant zij die uitgebreid de gruwelijkheden van de slavernij beschrijven en aan de andere kant de mensen die zeggen dat men alles in zijn tijd moet zien en dat alleen enkele excessen het beeld scheef trekken. Mijn standpunt is dat we moeten erkennen dat Nederland in het verleden een aantal zaken tot stand heeft gebracht, die ook nu nog hun nasleep hebben en belemmerend werken op een gunstige ontwikkeling van het land. Niet alleen is de oorspronkelijke bevolking, de indianen, gedecimeerd, maar door import van grote groepen van elders, is een heel diverse bevolking tot stand gekomen. Daarbij doel ik niet alleen op de aangevoerde slaven, maar evenzeer geldt dit ook voor de Hindostanen en Javanen die na de afschaffing van slavernij als contractarbeiders naar Suriname kwamen. De verschillen lijken nog steeds bepalend voor het land. Naast nazaten van slaven en contractarbeiders, zijn er ook nog de mensen wier voorouders plantagehouders waren. Plus Europeanen en mensen van buiten dat werelddeel, o.a. Chinezen, die in de loop van de tijd naar Suriname emigreerden en er in diverse lagen van welstand terecht kwamen. Bijna een onmogelijke opgave om zo een stabiel land op te bouwen.
In hoeverre met bepaalde zaken uit het verleden nog afgerekend zal moeten worden is een zaak voor de Surinamers zelf. Ons viel op dat er ten aanzien van de Nederlanders weinig rancune bestaat. Vaak hoorden we “We moeten het verleden vergeten en naar de toekomst kijken”. Ik denk dat wij het land helpen door ons in haar geschiedenis te verdiepen en het te bezoeken. Te vaak wordt er in Nederland nog alleen in negatieve zin over Suriname gesproken. Daar is niemand bij gebaat.

EEN PERSOONLIJK VERHAAL.
Als jongen van tien kwam ik in vijftiger jaren geregeld over de vloer bij tante Ella en oom Folmer. Echt familie waren ze niet. We hadden ze leren kennen door een paar broers, die vlak na de oorlog bij ons in huis kwamen om in Nederland de middelbare school te bezoeken. Hun ouders, naar Suriname verhuisde Nederlanders, waren kennissen van mijn ouders.
Oom Folmer heette in werkelijkheid Reinders Folmer. Hij was rond 1895 naar Suriname vertrokken om op plantage Jagtlust aan het werk te gaan. Eerst in een ondergeschikte functie, maar daarna al vlot als beheerder. Pas na de tweede wereldoorlog waren hij en zijn vrouw definitief naar Nederland teruggekeerd. Geboeid luisterde ik bij hen thuis naar ontelbare verhalen over die verre onbekende wereld, dikwijls daarbij onthaald door tante Ella met allerlei zoete Surinaamse lekkernijen.
Op een keer nam oom Folmer me mee naar boven en liet enkele voor mij heel bijzondere zaken zien. Een zweep, een pistool en een degenstok, attributen waarvan hij vertelde dat je die wel nodig had om op de plantage de orde te bewaken!
De tijd verstreek en onze contacten werden zeldzamer en stopten tenslotte.
Pas enkele jaren geleden kwam Plantage Jagtlust weer in beeld. Dat was toen in het tv-programma Andere Tijden een ex-bewoner van Plantage Peperpot, Joost Jansen, vertelde over die aardige tante Ella en Oom Folmer, waar hij in de oorlogstijd als jongen vaak over de vloer kwam. Ik maakte contact met hem en kwam via hem weer in contact met mensen in Suriname. Ik ging me verdiepen in de geschiedenis van de kolonie Suriname en geleidelijk groeide het verlangen dat land ook eens echt te gaan bezoeken. Dit bezoek werd gerealiseerd in voorjaar 2017. Vanaf dat moment raakten we in de ban van het land en de mensen die we er troffen. We bezochten onder andere het terrein van de oude voormalige plantage. En al die indrukken samen waren de impuls om te proberen zoveel mogelijk over het verleden naar boven te brengen, waarvan hier het resultaat.


Plantage Jaglust
  Auteur: Jacob van der Burg