Kapitein Bajo

← Terug

Bajo

Na de val van Boni kwamen de Aluku onder toezicht van de Ndyuka te staan, een situatie die tot 1861 van toepassing was. Het maakte dat veel van de Aluku zich in Frans-Guyana vestigden. In 1902 kwam een aantal van ze weer aan de Surinaamse kant wonen te Cotticadorp.

Aan de vestiging van Cotticadorp waren jarenlange verplaatsingen van de Aluku-gemeenschap vooraf gegaan. In eerste instantie verbleven ze na de val van Boni in 1793 in het Marowijne-gebied bij de Oyana. Na 1815 trokken ze naar Awara-soela en vanaf 1840 kwamen ze te Boven-Lawa terecht in het gebied van de goudmijnen van de Cie des mines d’Or.

Hierna vestigden ze zich rond Cottica, La Paix, en Providence. waar ze onder direct toezicht van de Ndyuka kwamen te staan, tot in 1861 de gouverneur aan deze situatie een einde maakte. Inmiddels waren er de nodige toenaderingen van Franse kant ten aanzien van de Aluku, die zich om die reden veelal aan de Franse kant vestigden in de dorpen Poeloemoffo en Boniville. Vanaf 1891 werden vele van ze ook Frans staatsburger.

Kapitein Bajo, ook wel Bayo, vroeg in 1902 toestemming om zich met zijn mensen officieel weer aan de Surinaamse kant in Cotticadorp te vestigen en had daartoe een ontmoeting met de gouverneur. Bajo stond erop dat zijn granman Ochi de granman van de Aluku zou zijn en niet granman Oseyse van de Ndyuka.

De situatie ronde de granman resulteerde in een patstelling, waarbij om de vrede te handhaven Ochi trouwde met een Aukaanse en Oseisi met een Boni-vrouw. In 1938 kwam aan de patstelling rond de granman een einde toen kapitein Nasinengee officieel werd geïnstalleerd te Cotticadorp.

Op een eilandje tegenover Cottica werd aan de Franse kant ten tijde van de vestiging van Cotticadorp begin 20ste eeuw ook een dorpje van de Aluku gevestigd. Het kreeg de cynische naam ‘Enfants perdus’ , Frans voor ‘de verloren kinderen’.

Op de foto kapitein Bajo in 1905 ten tijde van de Gonini-expeditie

 

  Auteur: Nico Eigenhuis