De indigofabriek

← Terug

 

De indigofabriek

Van de Surinaamse plantage Hanover is bekend dat er een indigo-fabriek heeft gestaan, maar er was begin 19e eeuw op nog meer plaatsen sprake van Indigo-productie, zoals op Blauwgrond. Deze herleving van de indigoproductie in Suriname zou van korte duur zijn.

 

Hendrik Frederik Matile (1759-1815) was in Suriname als planter actief en in het bezit van de plantages Hanover, Johanneszoon en L’Inquietude . Matile had in die tijd ook bij de Tawaycoerakreek een plantage met de naam Indigoveld.

 

Zijn neef Jean Louis Matile (1776-1827) , die met zijn vrouw aan de Keijzerstraat woonde, werd na het overlijden van zijn oom de nieuwe eigenaar van Hanover, en toen Teenstra in 1832 de plantage bezocht was het een indigogrond met 136 slaven en een oppervlakte van 3636 akkers.

 

Begin 19e eeuw nam de behoefte aan indigo en katoen wereldwijd toe en in eerste instantie was Suriname daarbij een belangrijke speler. Het was rond 1832 dat op Java het cultuurstelsel werd ingevoerd en daar het gouvernement de regie over de productie van indigo ter hand nam. Rond 1840 waren er op Java meer dan 700 fabrieken Voor wat de katoenproductie betreft werd in die tijd Amerika een belangrijke speler.

 

Plantage Hanover ging weer over op de houtwinning. Ten tijde van de emancipatie was plantage Hanover in handen van Hugh Wright, destijds Suriname’s grootste slaveneigenaar. Na zijn overlijden in 1877 werd in 1882 de plantage verkocht aan de geëmancipeerden Ambel, Clydesdale, Fer, Frets, Klas, Mijnals, en Renfrum.

 

Foto Wi anofru!

 

  Auteur: Nico Eigenhuis