Bedloo

← Terug

Bedloo

De naam Bedloo is in Suriname verbonden aan onder andere plantage Nieuw Timotibo. De Bedloo’s toonden zich voorstander van het inzetten van ‘’Redi musu” tegen de Boni-marrons. Hun bekendste marron-jager werd Quassie , die van het Kwasibita, die beloond werd voor zijn trouw aan de blanken.

Guillaum –Willem- Bedloo senior behoorde tot de groep Franse Hugenoten die met gouverneur Van Aerssen van Sommelsdijck naar Suriname kwam. Zijn plantage Nieuw-Timotibo was een suikerplantage aan de Perica. Hij was raadsheer van het Hof van Civiele justitie, en burgerkapitein van de divisie Cottica en Perica. In 1727 leidde hij een expeditie tegen de marrons in het Cottica-gebied. Hierna leidde hij in 1730 een grote expeditie tegen de Saramacca-marrons, maar hij was vanwege hun slimme guerilla-tactiek niet in staat enig succes te boeken. Willem Bedloo senior overleed in 1738 :

De Bedloo ’s waren de eigenaars van de tot slaaf gemaakte Quassie van Nieuw-Timotibo. Quassie (1692-1787) onderscheidde zich al spoedig als lukuman en kenner van de talen van Karaïben en Arowakken. Hij bezat bovendien een enorme kennis van kruiden en populariseerde het Quassie-bitter of kwasibita, een koortswerend middel. Na de grote expeditie van Willem Bedloo senior in 1730 ontving Quassie een gouden borstplaat met de inscriptie Quassie, trouw aan de blanken.

Guillaum Bedloo’s zoon Willem Bedloo junior (1734-1785) liet gouverneur Mauricius Quassie inschakelen om marrons te achterhalen en zou later gouverneur Nepveu adviseren om het corps te formeren van “Redi musu”. In 1755 werd Quassie gemanumitteerd voor door hem gevoerde onderhandelingen met marrons. Na zijn vrijlating vestigde Quassie zich op de plantage Capoerica, de buurplantage van Nieuw-Timotibo. De plantage werd in 1768 en 1771 aangevallen door de Boni-marrons, die vermoedelijk Quassie wilden elimineren. De aanslagen mislukten omdat beide keren Quassie afwezig was.

Een zus van Willem Bedloo junior met de naam Johanna Catharina Bedloo zou met de Zweed Carl Gustaf Dahlberg trouwen, die als militair naar Suriname kwam, en het er schopte tot onder-luitenant in 1748. Zij was als ‘weduwe Brouwer” in het bezit van de plantages Brouwers-haven en Carlsburg. In 1753 werd Dahlberg verkozen tot raad van Politie en Criminele Justitie.

Dahlberg bezocht in 1754 zijn geboorteland Zweden waarbij hij het kwasibita meebracht dat hij onder de aandacht bracht van Carolus Blom, die er op promoveerde. Carl Linnaeus gaf het kwasibita de Latijnse naam Quassia amara. Ten tijde van de komst van militair Stedman naar Suriname in 1772 was Dahlberg in zeer goede doen. In 1781 overleed hij, en werd begraven in de Oranjetuin.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis