Strafrecht in de kolonie

← Terug

Strafrecht in de kolonie, drie eeuwen ongelijkheid
(N.B. Dit artikel is uitgebreider dan gebruikelijk omdat het de hoofdlijnen bevat van mijn tweede boek over de koloniale tijd, dat rond 2020/2021 zal verschijnen).

 

In Nederland woedt al jaren een soms zeer emotionele discussie over slavernij, discriminatie en recentelijk natuurlijk ook Zwarte Piet. Er is een groep mensen die vindt dat het nu maar eens uit moet zijn met al dat geklaag over het verleden. Ze erkennen dat er veel onrecht was in het verleden, maar vinden dat men alles moet zien in de geest van tijd, het is lang geleden en die periode is al lang afgesloten.

 

Wie de moeite neemt zich te verdiepen in de geschiedenis van de kolonie Suriname, ziet dat die periode van onrecht en discriminatie nog echt niet zo lang geleden is. Tot in het midden van de vorige eeuw was er in Suriname volop discriminatie en een onrechtvaardige behandeling van mensen in vergelijking met Nederland. Ook in de behandeling van de verschillende bevolkingsgroepen in Suriname waren er verschillen. Dit kan met, vaak aangrijpende voorbeelden toegelicht worden, maar dan is de kans groot dat er weer een emotionele discussie ontstaat, waarin het ene leed met het andere vergeleken wordt.
In onderstaand verhaal is daarom gekeken naar de wetten en regels, die opgesteld door de koloniale macht, onrecht en discriminatie mogelijk maakten. We gaan hiervoor ver terug in de tijd.
Nadat de Engelsen in 1652 van Suriname een kolonie gemaakt hadden, kwam deze in 1667 bij de vrede van Breda in Nederlandse handen.

Officieel werd bepaald dat de Nederlandse wetten ook in Suriname zouden gelden. Dit was niet gemakkelijk want in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, zoals Nederland toen heette, was nog lang geen eenheid op het gebied van rechtspraak en wetten. Er waren verschillende rechtssystemen door elkaar.
Voornamelijk gold het oud-Hollandse recht. Ook dit was geen eenheid, want het verschilde van streek tot streek en maakte bovendien ook nog onderscheid tussen de behandeling van adel, gegoede burgers en het lagere volk.

Naast dit oud-Hollands recht, gold ook het oude Romeins Recht. Eigenlijk was dit meer een zakenrecht dan een strafrecht. Maar het was voor Suriname wel van belang omdat in het oude Rome slavernij voorkwam. In de Romeinse wetten werden slaven niet als personen beschouwd. maar als zakelijk bezit, waarover meesters konden beslissen. De heer, aan wie de slaaf door geboorte toebehoorde, of die hem door koop had verkregen, bezat over die slaaf het eigendomsrecht, zoals over een voorwerp. Hij kon de slaaf naar willekeur verkopen, pijnigen of doden. Oorspronkelijk was hij ook zelf rechter over de slaaf. De straffen waren o.a. dwangarbeid in gevangenschap, geselen met roeden of riemen, brandmerken of kruisigen. Later werd de slavenmeesters verboden slaven zomaar te doden. Ook werd de rechtspraak aan de overheid overgelaten. Omdat Nederland zelf in eigen land geen ervaring had met slavenwetten, kwamen deze Romeinse regels goed van pas in de koloniën, waar wel slavernij was.

Ook waren er al in de16e eeuw, toen Nederland nog deel uitmaakte van een groot Europees rijk, eerst door Keizer Karel V, en later door zijn zoon Philips ll een aantal wetten afgekondigd, die de eenheid in rechtspraak moesten bevorderen. En hoewel Nederland zich bevrijd had van het Spaanse juk, bleven de wetten doorwerken in de rechtspraak. Met name zijn de ordonnantiën van Philips ll in onze geschiedenis van belang omdat ze ruim baan maakten voor het uitgebreid martelen van verdachten. De opvatting hierachter was dat mensen slechts veroordeeld konden worden als ze hun misdaad bekenden. Het idee was dat als iemand gepijnigd werd, het hem onmogelijk zou zijn ook nog eens te liegen, zodat hij naar waarheid een bekentenis zou doen. Onder Philips werd het ook toegestaan om wanneer iemand eenmaal bekend had, door te gaan met pijnigen om te zien of hij ook nog andere misdaden te bekennen had of misschien nog andere misdadigers kon verraden.

Het lijkt erop dat deze wetten ook in gevallen waar er niets te bekennen viel, het martelen als straf een wettige grond gaven in de kolonies.

Naast de wetten uit Nederland waren in de kolonie nog belangrijker de regels die door de Gouverneur werden afgekondigd, regels tot stand gekomen in samenwerking met een Politieke Raad (hoofdzakelijk samengesteld uit plantagebezitters).
In de maatregelen van de Gouverneur was de leidraad vooral het maken van winst met de opbrengsten van de kolonie. Nadruk lag op voldoende aanvoer van werkkrachten (slaven) en op het bewaren van tucht en orde. Omdat veel Gouverneurs afkomstig waren uit de marine, vertoonden de strenge regels vaak overeenkomst met de tucht die aan boord van schepen heerste.

Naast de slaven was er natuurlijk ook de oorspronkelijke bevolking, de indianen. Deze hadden hun eigen, eeuwenoude wetten. Zolang deze niet botsten met de belangen van de blanke overheersers, werden deze wetten getolereerd. Als arbeidskrachten werden de indianen, “rode slaven”,al vrij vlug afgeschreven. Ze waren te zwak voor het zware plantagewerk. Regels werden door de overheid voornamelijk gesteld aan de Indianen wanneer onderlinge strijd tussen de stammen onrust en opstandigheid gaf. Vaak werd hierbij ook de verdeel en heers methode toegepast om de zwakste stam eronder krijgen.

De wetten die door de eerste Gouverneur, Lichtenberg, werden afgekondigd waren zeer streng. Lichtenberg was afkomstig uit Zeeland en waarschijnlijk zeer godsdienstig en gezagsgetrouw. Bovendien had men omdat er na de Nederlandse overname van Suriname, veel planters met hun slaven de kolonie hadden verlaten, uit Nederland veel volk aangevoerd van nogal laag allooi, in feite vaak tuchthuisboeven. Dit rechtvaardigde volgens de Gouverneur zeer strenge regels. Zo werd bijvoorbeeld met de dood bestraft: majesteitsschennis, rebellie, muiterij, moord, overspel en godslastering.
Gouverneurs volgden elkaar in hoog tempo op en sommige strenge bepalingen verdwenen met de tijd. Zo werd godslastering in latere tijden bestraft met een boete van 6 gulden, en bij herhaling 12 gulden.
Een speciaal slavenreglement was er vooreerst niet. Wel werden er met enige regelmaat bepalingen en regels afgekondigd. Meestal met betrekking tot strenge straffen, maar soms ook regels die versoepeling leken te brengen. Zo werd bijvoorbeeld al in 1685 afgekondigd dat weglopende slaven niet doodgeschoten mochten worden. Er moest op niet vitale delen gericht worden. Ging een slaaf toch dood dan ontliep de eigenaar een straf wanneer hij kon verklaren niet geschoten te hebben met de intentie om te doden. Elke dode slaaf betekende trouwens een strop, kapitaalverlies voor de eigenaar. Het doorsnijden van achillespezen of afzetten van een been beperkte het kapitaalverlies omdat er toch werkkracht overbleef. Bovendien was het slachtoffer een blijvend voorbeeld voor de andere slaven om niet te proberen om weg te lopen.

Omdat slaven als een bezit werden gezien, werd in de wetten ook vaak naar de meesters verwezen. Deze moesten zorgen dat hun slaven niet het risico liepen door ongehoorzaamheid bestraft, en zelfs gedood te worden.
In een aantal gevallen golden dezelfde wetten voor de blanke bevolking en de slaven, maar werden die wetten bij slaven vlugger toegepast en waren de straffen strenger.

 

Maar in Nederland gingen de ontwikkelingen verder. Er kwam steeds meer eenheid in de wetgeving en rechtspraak, ook omdat er op universiteiten veel studie gemaakt werd door kundige rechtsgeleerden. De resultaten van deze vooruitgang bereikten echter de kolonie niet. Hier bleef alles in het teken staan van winst maken en rust en orde bewaken.
Wel kwamen er steeds meer vrije zwarten en kleurlingen via het zogenaamde manumissiesysteem. Manumissie, het vrijgeven van slaven, gebeurde vermoedelijk al vanaf het begin van de kolonie Suriname. Het gebeurde in de nieuwe kolonie al vlug dat slavinnen zwanger werden van hun blanke meester. Soms werden deze kinderen zonder aanzien ook in de slavenstand gehouden, in andere gevallen werden ze vrijgekocht door de verwekker. Pas in 1733 werd een echt manumissiereglement van kracht. In feite kwam er toen, naast de rechtsongelijkheid tussen slaven en blanken een derde groep bij.

 

Aan de procedure van invrijheidstelling waren namelijk veel voorwaarden verbonden en eenmaal “vrij” hadden de ex-slaven beslist niet dezelfde rechten als de andere inwoners van Suriname.
Volgens een reglement uit 1761 waren niet alleen zij, maar ook hun nakomelingen verplicht hun voormalige eigenaar, diens vrouw en kinderen en afstammelingen van deze “alle Eere, Respect ende Reverentie” te bewijzen. Dit hield ook in dat, wanneer een voormalig eigenaar niet meer in zijn levensonderhoud kon voorzien, de vrijgemaakte hier zorg voor moest dragen.
Voor vergrijpen als het slaan of beledigen van zijn voormalige meester of diens vrouw en voor het ten tweede male bijwonen van een slavendanspartij moest de gemanumitteerde in slavernij terugkeren.

 

Sexuele omgang met slaven of slavinnen was verboden. Een eerste overtreding werd gestraft met boete, een tweede met lijfstraf en bij een derde keer wachtte weer de slavernij.
In 1779 werd het gemanumitteerden verboden zich op wegen, velden en bossen rondom Paramaribo met een schietgeweer te vertonen. In 1788 werd verordonneerd dat iedere vrijgemaakte slaaf 100 gulden en iedere vrijgemaakte slavin 50 gulden aan de wegloperskas moest betalen. En in 1804 werd bepaald dat een meester die een slaaf wilde vrijgeven een borg van 2000 gulden moest betalen. Ook werd het aan alle gemanumitteerden verboden zich binnen het eerst jaar van hun vrijheid, buiten de kolonie te begeven.

 

Het verschil tussen Suriname en Nederland werd nog groter toen Nederland in 1815 een eigen wetboek van strafrecht kreeg, geïnspireerd op de tijdens de voorafgaande Franse periode van kracht zijnde Code Pénal, maar wel met enkele wijzigingen voor de Nederlandse editie. Zo was nieuw het Gesel en Worgbesluit. Hierin werd o.a. de uitvoering van de doodstraf geregeld. Voor mannen bleef als executiemethode alleen de strop of het zwaard over. Vrouwen moesten het doen met de wurgpaal. Suriname had nog steeds de oude plakkaten en regels, die afgekondigd waren door de diverse Gouverneurs. Dus het verbranden van Codjo, Mentor en Present in 1833 was geheel binnen de toen heersende wetten.
Toch kwamen er ook in Suriname wel enkele wijzigingen. Zo werd in 1828 officieel afgekondigd dat slaven niet alleen als goederen gezien moesten worden, maar dat ze daarnaast ook enkele menselijke aspecten bezaten die bij beoordeling meegenomen moesten worden.

 

Uiteindelijk volgde in 1863 de afschaffing van de slavernij, maar vrijheid bestond er nog steeds niet voor de ex-slaven. Ze moesten nog tien jaar verplicht werken onder staatstoezicht. De macht die eerder de plantage eigenaren over hen gehad hadden, werd nu overgedragen op de van regeringswege aangestelde districtscommissarissen.
Als opvolgers van de ex-slaven kwamen vanaf dat moment de contractarbeiders, eerst uit India, later van Java. Ten aanzien van hen waren er weer aparte wetten die een stukje ongelijkheid t.o.v. de andere bevolkingsgroepen met zich mee brachten. Zo werd in het Reglement van Strafvordering uit 1874 bepaald dat de arbeidscontracten van de arbeiders bij verbreking onder het strafrecht zouden vallen. Verbreking van het contract werd volgens de strafrechtwetten bestraft. Dit kon betekenen boetes en gevangenisstraf, maar ook lijfstraffen als zweepslagen en geseling.

Onder verbreking van het contract werd bijvoorbeeld verstaan, ziekte voorwenden, luiheid, verlaten van de plantage zonder toestemming en minder presteren dan was voorgeschreven.
Dit alles ter beoordeling van de plantage eigenaar en later van de districtscommissaris. Bovenstaande regel heeft officieel tot 1947 bestaan.

 

Al voor het Reglement van strafvordering kreeg Suriname trouwens in 1869 al een eigen Wetboek van Strafrecht, in feite een kopie van het Nederlands Wetboek van Strafrecht, dus weer een kopie van de Franse Code Pénal. Er was echter een belangrijk verschil. Inmiddels was namelijk in Nederland de doodstraf afgeschaft, maar deze wijziging in de oorspronkelijke Code Pénal werd in Suriname niet meegenomen. De doodstraf bleef gehandhaafd.

 

Nederland kreeg in 1889 een geheel nieuw eigen Wetboek van Strafrecht, terwijl Suriname het nog moest doen met de verouderde Franse strafwet, zodat er opnieuw een achterstand was in de strafwetten van Suriname ten opzicht van Nederland.

 

In 1916 kreeg Suriname eindelijk een eigen wetboek, maar weer met verschillen ten opzichte van Nederland. Zo was er verschil met betrekking tot het ondergaan van gevangenisstraf.

“Tot hechtenis veroordeeld zijn behoort anders dan in Nederland te worden geregeld. Het grote kwaad bij de lagere bevolking in de tropische landen is de luiheid, vooral de tegenzin tegen geregelde arbeid. In zeer grote mate wordt deze tegenzin gevonden bij de negers, die verreweg het grootste gedeelte der bevolking van Suriname uitmaken. Gevangenisstraf is zowel voor negers als immigranten dan ook een zeer lichte straf, bij korte duur volstrekt geen straf, als zij niet gepaard gaat met gedwongen arbeid, en dan wel gedwongen inspannender arbeid. Daarom is het nodig dat, omdat het binnen de gevangenis niet mogelijk is, de rechter kan bepalen dat ze aan openbare werken te werk gesteld moeten worden. In afwijking van de Nederlandse wet kan dat ook met voetboei.”

Het grootste verschil t.o.v. Nederland was echter dat in 1916 nog steeds de doodstraf gehandhaafd bleef. Om een beter inzicht te geven in de geest van die tijd volgt hieronder de originele tekst waarmee de Minister de keuze van handhaving van de doodstraf motiveerde.
“Op grond van artikel 117 van het Regeerings Reglement zou de afschaffing van de doodstraf ook in Suriname doorgevoerd moeten worden, ware het niet dat de daar bestaande toestanden het behoud van die straf noodzakelijk maakten.
De uit zeer heterogene bestanddelen bestaande bevolking van Suriname toch staat voor het grootste gedeelte in beschaving en ontwikkeling beneden de grote meerderheid van de lagere klassen der bevolking in Nederland. Bij zodanige bevolking is het beslist noodzakelijk de zwaarste vergrijpen tegen de rechtsorde met den dood te kunnen bestraffen. Hoe men toch over het algemeen ook moge denken over de afschrikkingskracht van de doodstraf, zeker is het dat zij van alle straffen den meesten indruk maakt op eene onbeschaafde bevolking, en haar vervult met ontzag voor de macht van het hoogste gezag, zonder welk ontzag handhaving van de rechtsorde onmogelijk is.”

 

Deze opvatting dat de Surinaamse bevolking tot een lagere klasse behoort, heeft kennelijk tot ver in de vorige eeuw stand gehouden, want tot aan de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 heeft de Nederlandse regering verzuimd de doodstraf af te schaffen!

Jacob van der Burg

 

 

.


Plantage Jaglust
  Auteur: Jacob van der Burg