Negentig pangi’s en 45 liter rum voor een mensenleven.
Een tragisch schietincident met dodelijke afloop houdt Pikin Slee en Botopasi al ruim een week in zijn greep. Het is een gebeurtenis die de gemeenschap voor een moeilijke keuze zet: vasthouden aan de traditionele wetten of breken met eeuwenoude rechtsspraak.
Alle deuren van Pikin Slee zijn op slot. Aan de waterkant spelen er geen kinderen. Geen hond, geen kip is te zien. Mensen hebben zich verscholen in het bos of in hun huis. Het normaal zo bruisende dorp met ruim vierduizend inwoners is plotseling stil, uitgestorven, als een spookstad.
In krutu oso Hososambo, zo’n dertig meter van de rivier, wachten de kapiteins, de basya’s en een paar andere inwoners in spanning op een delegatie uit Botopasi.
De afgevaardigden uit het naburige dorp zoeken gerechtdoening voor de dood van een dorpsbewoner. Ze zullen een flinke schadevergoeding voor het verlies eisen en zijn waarschijnlijk geen gemakkelijke onderhandelaars. Hoeveel ze zullen eisen, is eigenlijk al afgesproken, maar de vraag is hoeveel ze daarvan af zullen wijken. Wel is zeker dat de mannen ruzie zoeken.
Ongeval
Wat er aan vooraf ging. In de avond van donderdag drie oktober gaat ‘Kabiten’ Doekoe jagen in het bos. Het is donker, maar Doekoe ziet iets bewegen en schiet. Zijn onvoorzichtigheid heeft grote gevolgen. Hij denkt dat hij een dier heeft getroffen, maar in werkelijkheid raakt hij Gijs Josafath, waarvan men zegt dat hij in het bos is om een pad open te kappen. Doekoe treft hem dodelijk.
De politie is snel ter plekke, maar krijgt het lijk niet mee van de dorpsbewoners. Zij willen de zaak zelf afhandelen. Het districtcommissariaat wordt erbij geroepen en weet hen in een vergadering te overtuigen het lichaam toch af te staan. Het lijk en de verdachte worden naar de stad overgebracht. De politie onderzoekt de zaak en concludeert dat het een tragisch ongeval is. Doekoe wordt vrijgelaten.
Gerechtigheid
Maar bij de Saramaccaners is de zaak nog niet afgehandeld. Zij hebben hun eigen manieren om tot gerechtigheid te komen. De politie kan dan wel hebben besloten dat Doekoe niet vervolgd wordt, er is wel een man dood. Op één of andere manier moet die wond worden geheeld. Het sociale, economische en, zeker niet te vergeten, spirituele evenwicht moet hersteld worden. Sinds het ontstaan van de Marrongemeenschappen zijn er voorschriften en gebruiken om zulke conflicten op te lossen.
In dit specifieke geval schrijft de traditie voor dat de schutter voor zijn gehele verdere leven is verbannen uit het gebied. Zelfs bij familie in de stad mag hij niet aankloppen. Ook verwacht de familie Josafath een schadevergoeding in de vorm van goederen. Hoeveel, dat moet in een krutumarathon van drie dagen onderhandeld worden. Die ceremonie heet toepasselijk meki tobi: ruzie maken. Bovendien gebiedt het gebruik dat de familie Josafath wraak neemt door één of meerdere huizen van de familie Doekoe te vernielen.
Afstappen van traditie
In de dagen die volgen leven de dorpen in grote spanning. De familie Josafath gaat in op de wens van Pikin Slee en zegt dat ze geen woningen kapot zal slaan tijdens de onderhandelingen. Daarmee zullen ze afstappen van dit deel van de traditie; een ingrijpende beslissing. Uit voorzorg brengen de Doekoe’s hun inboedel toch in veiligheid bij andere dorpsbewoners. Niemand weet immers wat er zal gebeuren als de mannen ontevreden zijn over de schadevergoeding.
Terwijl de familie Doekoe gedurende het weekend niet meer uit huis gaat – uit respect voor de dode en uit vrees voor wat er zal gebeuren – komen de ouders van Kabiten langzaamaan tot de harde conclusie dat zij hun zoon nooit meer zullen zien. “Eigenlijk verklaren we hem dood, want hij mag voor zijn leven lang niet meer terug naar Boven-Suriname”, zegt vader Gotuna Haabo.
De familie vreest dat Kabiten zelfmoord zal plegen. Wanneer de dorpsbewoners van Pikin Slee hem confronteren met zijn verbanning, overweegt hij direct een einde te maken aan zijn leven. De mensen van het districtscommissariaat kunnen hem hier echter van weerhouden.
Ze beloven hem psychologische begeleiding en verdere ondersteuning. “Ik hoop dat hij zijn eenzaamheid onder controle kan houden”, zegt Haabo.
Ingrijpen door overheid
Ongeveer vijftien jaar geleden gebeurde het voor het laatst dat er in deze omgeving wraak gezocht werd.
Ook toen was een dorpeling doodschoten. Basya Bernhard Bodje herinnert zich het voorval nog. “De familie van het slachtoffer is toen met houwer, bijlen, stokken, koevoeten en mokers te werk gegaan”, vertelt hij. Alleen het huis van de dader werd met de grond gelijk gemaakt en ook hij kreeg een levenslange verbanning opgelegd. Hij is nooit meer gezien in Boven-Suriname.
De gemoederen kunnen dus hoog oplopen in dit soort gevallen. Toch besluit districtscommissaris Naltus Naana om geen politie in te schakelen voor de krutumarathon. Hij verwacht niet dat het zover komt dat de delegatie uit Botopasi agressief wordt. “Ik weet dat het niet uit de hand zal lopen”, zegt hij stellig. “De mensen die erg verhit zijn, worden niet toegelaten. Het zal op een ordelijke manier verlopen.”
In hoeverre de lokale tradities, hoe agressief soms ook, de ruimte wordt geboden, dat is een beslissing die op de schouders van Naana rust. Hij weegt af of de gebruiken nog toelaatbaar zijn binnen het nationale rechtssysteem. “Ze hebben hun eigen manieren, maar er zijn algemene regels.” Toch laat hij niet graag ingrijpen. “Pas als zaken echt uit de hand lopen, wordt de politie ingeschakeld. We willen liever geen interventie plegen in hun cultuur.
De dc verzekert dat ze het onderhandelingsproces in de gaten houden. “We hebben elke dag contact met de kapiteins en de basya’s.” Naana zegt dat zulke gevallen moeilijk zijn, maar dat de tijden veranderen. “De denkwijze van mensen verandert. We kunnen de tradities niet stopzetten, maar we participeren in de krutu’s zodat we ons zegje kunnen doen.
Basya Bodje sluit zich aan bij die opstelling van de districtscommissaris. Hij vindt dat de overheid betrokken moet worden bij dit soort conflicten, om te voorkomen dat de verschillende wetsystemen tegen elkaar indruisen. “Vroeger waren we afgesloten van de stad. We kenden alleen onze gemeenschap en regels. Nu is het anders. We zijn niet meer geïsoleerd en mensen zijn anders gaan denken.” Bodje zegt dat vooral het onderwijs hierin een grote rol speelt.
Meki tobi
Met al deze zaken in het achterhoofd, begon de vergadermarathon op dinsdag. Drie dagen achtereen komt er elke morgen rond negen uur een delegatie uit Botopasi. Als heer en meester van Pikin Slee bestijgen ze de trappen van de waterkant. Direct na aankomst treden ze in overleg met de kapiteins en basya’s van Pikin Slee. Daar zijn alleen mannen bij aanwezig. Het zijn spannende uren, waarin van alles kan gebeuren.
Elke dag legt de delegatie uit waarvoor ze daar zijn. “Er is een dode gevallen en we komen onze schadevergoeding halen”, kondigt Wilfred Akienboto, basya van Botopasi, aan. De mannen geven een opsomming van alle goederen die ze verwachten: negentig pangi’s, 45 liter rum, negen hangmatten, 25 lakens en één klamboe. Ze komen het in etappes eisen, want dat zorgt voor een beetje extra drama bij de ceremonie.
Een groep mannen loopt na het overleg naar een speciaal huis waar de familie Doekoe alle goederen die geclaimd kunnen worden heeft verzameld. Ze brengen een selectie naar de krutu oso, waarop de basya van Pikin Slee vraagt: “Is dit wat je moet krijgen?” Het antwoord is uiteraard negatief: “Nee, nee, nee! Dit is niet wat we hebben geëist.” Vervolgens wordt de groep weer weggestuurd om meer te halen. En zo gaat dat door, minstens drie keer per dag, drie dagen lang.
Op deze manier beelden de mannen het conflict uit wat er tussen de families is ontstaan. Ze hebben ruzie, en dat moet uitgevochten worden. Maar de delegatie uit Botopasi houdt zich aan zijn woord: er wordt geen enkel huis verwoest.
Op de derde dag van de krutumarathon moet de granman of een afgevaardigde de ceremonie sluiten. Daarmee bevestigt hij dat de betaling heeft plaatsgevonden; de families kunnen nu op weg naar de echte vredesceremonie, die over zes weken of twee maanden zal plaatsvinden. Botopasi stuurt twee keer een boot om hem op te halen, maar de granman laat het afweten.
De meki tobi is nu niet afgesloten en de onzekerheid in Pikin Slee duurt voort. De dorpelingen worden door het gezag bezworen om thuis te blijven en niet naar hun kostgronden en de rivier te gaan. Het dagelijkse leven is platgelegd: niemand mag werken, niemand mag voedsel halen en de helft van het dorp is ondergedoken op schuiladressen. Alleen de kinderen gaan naar school. Halverwege de dag komt het verlossende woord. De granman stuurt een delegatie en zij sluiten de ceremonie af. Het dagelijks leven kan weer hervat worden.
Aanpassen
Het schietincident is nu niet enkel de aanleiding geweest voor een heftig conflict tussen families; het heeft de gemeenschap en het traditionele gezag geconfronteerd met wetten die misschien wel aanpassing verdienen. Vader Gotuna Haabo vindt dat het gezag zich kritisch moet buigen over de gebruiken rondom een dergelijke gebeurtenis. Vooral wanneer het gaat om een ongeluk. “De persoon die heeft gedood moet wel voor een bepaalde tijd, enkele jaren, verbannen worden, maar niet voor zijn hele leven”, stelt hij. Ook hoopt de vader dat het vernielen van huizen uit de wet gehaald wordt. “Ik was echt bang dat ze mijn huis zouden breken. Als dat zou gebeuren, zou ik doodvallen.
Er moet wel een schadevergoeding betaald worden, daar is iedereen het over eens. Het kapot slaan van huizen en de levenslange verbanning, dat zijn gebruiken die misschien niet meer passen in deze tijd. “Het hangt van de situatie af”, vindt ook basya Bodje. “Als iemand opzettelijk wordt vermoord, dan moet de dader wel verbannen worden.
Maar als het een ongeluk is, dan kan hij bijvoorbeeld een paar jaar uit het dorp blijven, zodat de gemoederen zijn bedaard”, oppert hij. Ook de hoofdkapitein van Pikin Slee, Wazen Eduards, is voorstander van herziening. “We kunnen dit niet meer toelaten. Het is niet normaal om huizen te breken.”
De wet kan echter niet zomaar veranderd worden. “Niet omdat ik basya ben, kan ik het aanpassen”, zegt Bodje. “De hele Saramaccaanse gemeenschap moet eigenlijk tot een besluit komen.” Dat is bij andere gebruiken al gebeurd, dus ook in dit geval zou het niet onmogelijk zijn. Het lokale gezag zal naar aanleiding van dit incident de traditionele wet onder een vergrootglas plaatsen. Of Kabiten Doekoe daar iets aan zal hebben, is nog de vraag.
Recht voor één, recht voor allen?
Ordehandhaving in het binnenland kan een behoorlijke evenwichtsoefening zijn. Dat laat het incident bij Botopasi duidelijk zien. Het is bij zulke conflicten een uitdaging om ingrijpen van de politiemacht te verzekeren en tegelijkertijd de traditionele gebruiken te respecteren.
De nationale autoriteiten houden in dit soort gevallen sterk rekening met de traditionele manieren waarop het sociale evenwicht hersteld wordt in de Marrondorpen. De basis hiervoor is eeuwen geleden gelegd, in de oorlogen tegen het koloniale regime en de plantagehouders, en de vredesverdragen die daarop volgden. In bepaling negen van het vredestraktaat uit 1760 staat dat rechtspraak geheel wordt overgelaten aan de Marrons zelf, behalve als het om een eventuele doodstraf gaat.
Er is natuurlijk veel veranderd door de jaren heen – zowel aan de kant van de officiële autoriteiten als in de gebruiken van Marrondorpen – maar er valt niet te ontkennen dat er in het binnenland twee rechtssystemen gelden. Hoewel deze lastige balans voor velen lijkt te werken, wijzen sommigen op de onmogelijkheid van deze situatie. In de laatste editie van het Surinaams Juristen Blad houdt professor Walther Donner het Marronvredesverdrag tegen het licht en trekt een verregaande conclusie: die traktaten zijn juridisch helemaal niet geldig. Hier legt hij zijn betoog in gewone taal uit.
Donner baseert zijn argument voor de ongeldigheid van het verdrag op de voorwaarden waar een traktaat volgens de wet aan moet voldoen. Stap voor stap ontleedt hij de overeenkomst, totdat er aan het einde van zijn verhaal juridisch nauwelijks iets van overblijft.
De eerste vraag die hij stelt is: waren Suriname en de Aucaners soevereine staten? “Want”, legt de professor uit, “een traktaat kan alleen gesloten worden tussen twee landen.” Het is volgens hem overduidelijk dat de Aucaners niet erkend waren als een onafhankelijk land. Maar ook Suriname kon geen aanspraak maken op die status; de kolonie was in die tijd namelijk eigendom van de West Indische Compagnie (WIC).
Het vredesverdrag is niet ondertekend door de koning van het ‘moederland’ en ook niet door de WIC, maar gouverneur Crommelin zette zijn handtekening onder het document. “Hij had die bevoegdheid helemaal niet.”
Het tweede punt van Donner’s argument gaat over handelingsbekwaamheid. Beide partijen moeten volgens de wet namelijk wel weten wat ze tekenen, anders is de overeenkomst niet geldig.
Volgens Donner wisten de Aucaners helemaal niets af van het recht en konden nauwelijks weten waar ze hun handtekening onder zetten.
Het verhaal gaat dat de Jamaicaanse slaaf Adyáko Benti Basiton, ook bekend als Boston Bendt, de onderhandelingen tussen de Ndyuka en het gouvernement leidde. Boston kon, in tegenstelling tot de meeste Surinaamse opstandelingen wel lezen en schrijven.
Donner trekt echter het nut van Boston’s hulp in twijfel. “Ook in Jamaica kwamen ze er pas later achter dat ze een verkeerde voorstelling hadden van wat er in het vredesverdrag stond”, stelt hij. “Ze dachten dat ze 5000 hectare leefgebied toegewezen krijgen, terwijl dat in feite maar ging om 500 hectare.”
Dat al deze juridische obstakels in 1760 over het hoofd gezien werden, is volgens Donner simpel te verklaren. “Ze wilden vrede. Elke partij zag de ondertekening als een overwinning.
Ze hebben die verdragen opgesteld en er verder niet bij stilgestaan, maar eigenlijk werden de mensen beduveld.”
Vanwege deze hobbels worden de vredesverdragen in Jamaica volgens Donner achteraf gezien als een eenzijdige gratieverlening van de Britse koning naar de Marrons. Dat betekent dat zij nu geen rechten kunnen ontlenen aan deze documenten. In Suriname is het volgens hem nog nooit tot een rechtszaak gekomen, waardoor geen enkele rechter zich nog heeft uitgesproken over de rechtsgeldigheid van de traktaten.
Bovendien is er in alle voorbijgaande eeuwen geen aanleiding geweest om de traktaten te onderzoeken op geldigheid. “Het wordt nu pas interessant, nu ze op basis van de vredestraktaten en internationale bepalingen rechten claimen op gebieden in het bos.” Volgens Donner zijn de traktaten echter sowieso vervallen door de afschaffing van de slavernij in 1863. Alle bepalingen zijn in zijn ogen namelijk gebaseerd op het bestaan van een slavernijsysteem. “Na 1863 werden ze gewoon burgers van het land met stemrecht”, stelt Donner.
Hij vindt ordehandhaving een taak van de politie en niet van het lokale gezag. “
Een tweedeling zorgt alleen maar voor moeilijkheden. Dan bestaat dan geen eenheid over wat mag en wat niet mag. Geen recht voor één, recht voor allen.” De professor begrijpt wel dat er in de praktijk een gedoogsysteem heerst. “Je moet natuurlijk niet op elke slak zout leggen. Als overheid stel je grenzen waarbinnen je zaken gedoogt. Zodra iemand daarbuiten stapt, moet je ingrijpen.”
Gepubliceerd in de Ware Tijd, 12/10/2013
In samenwerking met Gilliamo Orban
Beeld: Irvin Ngariman




