Notities

← Terug

De Hugenoten

Ten tijde van gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck werden er de nodige Fransen gerekruteerd om naar Suriname te komen. Veelal betrof dit Hugenoten -uitgeweken Franse protestanten- die werden geworven om zich als planter in Suriname te vestigen Hun namen klinken nog altijd in het Suriname van vandaag. Een overzicht

Combé
Nicolaas Combé behoorde tot de eerste kolonisten in Suriname, hij was er bestuursambtenaar. Tijdens zijn aanwezigheid aldaar ging de kolonie over van de Zeeuwen naar de Sociëteit van Suriname. In 1667 werd Combe door kapitein Du-bois uit Berbice gehaald. In één van de vele brieven die Combe aan de Staten van Zeeland schreef, meldde hij dat indianen plantages in brand staken en dreigden al het suikerriet te verbranden. In andere brieven beklaagde hij zich o.a. over de corruptie van gouverneur Johannes Heinsius en de malversaties van diens opvolger Pieter Versterre. Combé overleed in 1691. Naast de wijk Combé in Paramaribo herinneren ook de Kleine Combé- en de Grote Combéweg nog aan hem.

Van Sommeldijck senior en junior
Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijck, (1637-1688) werd als jongeling aan het hof van prins Willem II geplaatst. Cornelis trouwde te Parijs in 1664 met Marguérite du Puy markiezin van St. André Montbrun. Ze kregen samen 3 kinderen, Hij wilde iets tot stand brengen en bemoeide zich als eerste met de oprichting van de Sociëteit van Suriname. François van Aerssen van Sommelsdijk (1669 –1740) was de tweede zoon van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk. Zijn vader Cornelis was vanaf zijn komst in Suriname in 1683 in gevecht met de inheemsen. Speciaal tegen hun invallen liet hij bij de samenvloeiing van de Commewijne en Cottica het naar hem genoemde ‘fort Sommelsdijk’ bouwen. In 1686 huwde Cornelis met een inheemse prinses , maar ondanks dat hiermee de vrede officieel was bezegeld streed hij ook daarna nog door tegen de inheemse leiders. In 1687 reisde François “in staatsopdracht” naar Holland, met in zijn gevolg drie vrije indianen en vier indiaanse slaven. Mogelijk was er sprake van een kleine onderhandelingsdelegatie namens de inheemsen en een viertal inheemse gijzelaars. Ten tijde van zijn terugkeer werd zijn vader in juli 1688 in Suriname omgebracht na een conflict over het werk aan de Sommelsdijkse kreek.

De Mahony
Een langgekoesterde wens in de kolonie was dat Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck zou worden opgevolgd door een familielid. Zijn zoon François liet deze kans echter voorbijgaan, en met de aanstelling van O’Mahony kreeg dit alsnog invulling. Zijn moeder Anna behoorde tot de familie Van Aerssen, en zijn vader kwam uit een oud Iers geslacht. De geboortenaam van Johan Baron de Mahony was dan ook O’Mahony. Ten tijde van zijn benoeming als gouverneur was De Mahony werkzaam als sergeant-wachtmeester der infanterie ten dienste van de Staten-Generaal. Tijdens de korte periode van zijn bestuur trachtte hij tot een vredesovereenkomst met de Marrons te komen. Reeds een jaar na zijn benoeming als gouverneur van Suriname in 1716, overleed hij te Paramaribo op 4 oktober 1717. Naar gouverneur De Mahony is in Suriname een laan vernoemd.

De Rayneval senior en junior
De Rayneval was al als luitenant in Suriname tijdens de moordaanslag op Van Sommeldijck in 1688 en was mede verantwoordelijk voor het bedwingen van de oproer en de gevangenneming van de muiters. In 1698 werd hij commandeur, een functie die hij tot 1725 onafgebroken vervulde. In 1702 verkreeg de Rayneval de concessie voor de plantage Schoonoord. In dezelfde tijd legde hij ook de plantage Lustrijk aan. Deze plantage lag tegenover Schoonoord. Daarnaast waren de Raynevals eigenaar van de plantages Picardie aan de Commewijne en Ponthieu aan de Warappakreek. Beide namen herinnerden hem aan zijn geboortegrond. De koffieplantage Picardië lag aan de Commewijnerivier naast plantage Zorg en Hoop. Het is oorspronkelijk na het gereedkomen van Fort Nieuw Amsterdam uitgegeven aan Jean Gabriel Graaf de Raineval (1726-1800), de jongste zoon van François Anthony de Rayneval, uit Raineval in Picardië. De familie De Rayneval verwierf diverse plantages. Naast Picardië bezat de familie ook Maagdenburg aan de Surinamerivier, Ponthieu aan de Warappakreek en Schoonoord aan de Commetewane. De namen Ponthieu en Picardië herinneren aan herkomst van de familie De Rayneval. Het zou best eens kunnen zijn dat de naam van Rayneval uit Raineval Frankrijk in Suriname voortleeft in de naam van een wijk in hoofdstad Paramaribo: Rainville.

De Crepy (Crepie)
Naar Charles Francois Isaac de Crepy is de wijk Charlesburg vernoemd, ook wel bekend als Crepie. Crepy (1729-1775) was een beroepsofficier. Hij en zijn vrouw Sara waren eigenaar van de plantage Vreeland. Voorts bezaten zij de buitenplaats aan de Kwattaweg, die nu bekend is als Charlesburg. Zoon Charles trouwde in 1756 met Marianna de la Brune. Het echtpaar woonde in het grote huis Waterkant 28, destijds het duurste van Paramaribo. In 1772 erfde hij van zijn moeder het 1/3 aandeel in de buitengrond “Charlesburg”, die nog steeds in de volksmond “Krepie” wordt genoemd. Hij was inner van belastingen in de kolonie en was een vermogend man die in het duurste huis van de stad woonde en bovendien nog een luxueus pand had in de Oranjestraat. De Crepy overleed in 1775 en werd begraven in de Oude Oranje-tuin. Zijn zoon Jacques Francois Charles overleed een jaar later, en werd door zijn moeder op Charlesburg begraven. Het pand Waterkant 28 is na de grote brand van 1821 herbouwd. Thans is de rekenkamer er gevestigd.

Tourton (Jean Andre en Isaac)
Jean Andre Tourton, ook Jan Andre Tourton, was in Suriname lid van t Hof van Politie. Zijn familie was oorspronkelijk afkomstig uit het Franse Lyon en leden van de familie maakten deel uit van het bestuur van de Sociëteit van Suriname. Op de naar Jean Andre Tourton’s vernoemde plantage Tourtonne werd koffie en cacao geteeld. Nadat Tourton was overleden werd Jacques Caucanas de eigenaar van plantage Tourtonne, vandaar dat het ook wel bekend is als Kokonasi.
Jean Andre’s broer Isaac Tourton (1678-1748) werd in 1720 eigenaar van plantage Nieuwzorg. Isaac -ook wel Isaak- Tourton zorgde desgevraagd eerder, te weten in 1710, voor de versterking van Fort Zeelandia. Hij opperde daarbij dat de aanleg van een geheel nieuw fort elders ter verdediging van de kolonie beter op zijn plaats zou zijn, maar die gedachte kreeg pas invulling nadat in 1712 de Fransman Cassard Suriname was binnengevallen. Pas in 1734 kreeg Isaac Tourton de handen op elkaar voor de aanleg van zijn Nyun Foto, fort Nieuw Amsterdam.

Crommelin
Een bijzonder situatie deed zich voor rond de hugenoot Wigbold Crommelin (1712-1789). Na de Vrede van Aken in 1748 werd hij benoemd als commandeur van de troepen in Suriname. Toen hij in 1749 in arriveerde, kwam hij terecht in een strijd tussen de toenmalige gouverneur-generaal Jan Jacob Mauricius en een aantal opstandige planters, de cabale, waaronder Charlotte Elisabeth van der Lith. Crommelin koos de zijde van Mauricius, een keuze die gedurende zijn tijd in Suriname tegen hem bleef werken. De planters klaagden bij de directeuren van de Sociëteit van Suriname over het functioneren van Mauricius. Crommelin was de logische opvolger, maar werd tegengewerkt door de planters die de cabale hadden gevormd. De opvolgingskwestie werd zo op de spits gedreven dat uiteindelijk de Staten-Generaal tussenbeide moest komen. In september 1757 werd Crommelin officieel benoemd en vervulde de functie gedurende twaalf jaar. In deze tijd sloot hij vrede met de Aucaners en Saramaccaners. Tijdens zijn bestuur kwam de zendingsarbeid van de latere Evangelische Broedergemeente op gang onder leiding van Christoph Kersten.

Du Plessis
Salomon du Plessis (1705-1785) kwam uit een gereformeerd Hugenoten-gezin uit Bergen op Zoom. Hij vertrok in 1734 naar Paramaribo waar hij als advocaat werkte. In Suriname leerde hij Magaretha van Strijp (1706-1769) kennen. Ze kregen twee kinderen Maria Susanna du Plessis (1739-1795) en Rijnier Isaac du Plessis (1741-1787). Als planter raakte Salomon du Plessis in 1742 betrokken bij het conflict tussen de oude garde planters, de zogenaamde Cabale, onder aanvoering van Charlotte Elisabeth van der Lith, en de nieuw aangestelde gouverneur Jan Jacob Mauricius De plantagehouders waren het onder andere niet eens met het aantal slaven dat zij moesten afstaan voor de bouw van het Fort en met de vergoeding die daar tegenover stond. In 1747 ging Salomon du Plessis (1705-1785) namens de Cabale naar Nederland, waar hij een verzoek indiende om Mauricius uit zijn functie te ontheffen. In datzelfde jaar werden de werkzaamheden aan het Fort Nieuw-Amsterdam afgerond. De Cabale zou uiteindelijk aan het kortste eind trekken. Bij resolutie van 15 mei 1753 werd Jan Jacob Mauricius door de Staten-Generaal vrijgesproken van alle tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Salomon du Plessis werd veroordeeld tot betaling van alle kosten en kreeg een verbod om terug te keren naar Suriname. Salomon verliet dus zijn gezin toen zijn dochter 8 jaar en zijn zoon 6 jaar oud was. Zijn dochter trouwde zes jaar later op 14-jarige leeftijd met planter Grand die in 1762 overleed. Na zijn overlijden ging in 1763 Maria Susanna voor ruim een half jaar naar Amsterdam om haar vader te bezoeken die voor haar ook haar handelsbelangen in Nederland waarnam. Maria Susanna du Plessis hertrouwde in 1767 met Cornelis Stolkert, van wie ze in 1783 zou scheiden. Pikant detail is dat deze Stolkert een stiefzoon was van gouverneur Jan Nepveu, een van de weinige getrouwen van gouverneur Mauricius.Salomon de Plessis overleed in Nederland en zijn graf is te vinden in de Nieuwe Kerk aan de Dam te Amsterdam.

Jean Nepveu
Jan Nepveu of Jean Nepveu (1719 – 1779) vertrok in 1734 als scheepsjongen naar Suriname. In 1742 was hij secretaris van gouverneur Mauricius. In 1768 werd hij gouverneur-generaal a.i. en in 1770 de opvolger van gouverneur Wigbold Crommelin. Ter bestrijding van de aanvallen door marrons werd door hem het “Korps Vrijnegers” en het “Korps Jagers” opgericht. Nepveu’s eerste huwelijk was met Johanna Agatha Oudenrogghe (1722-1765), wiens vader plantages had in Commewijne. Met haar kreeg hij een aantal kinderen. Na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwde Nepveu in 1767 met Elisabeth Buys (1728 –1775). Elisabeth Buys was de weduwe van de in 1757 overleden planter Isaac Stolkert. Ze had met Stolkert drie zoons die de volwassen leeftijd bereikten: Frederik Cornelis (hij trouwde in 1767 met de weduwe Susanna du Plessis), Hendrik en Boudewijn. Van huisslavin Constantie zou Nepveu aan zijn eerste vrouw voor haar overlijden in 1765 hebben beloofd dat ze zou worden gemanumitteerd. In 1769 werd Constantie moeder van dochter Johanna Elisabeth Sara Zeeman, die dus was vernoemd naar Nepveu’s eerste vrouw. Ze zou ook nog een zoon krijgen, Jan Philip Zeeman. Als vader staat te boek NN Zeeman, hetgeen erop lijkt dat de vader vooral anoniem wilde blijven. In 1773 wordt Constantie door Nepveu gemanimutteerd onder de naam Constantie van Nepveu waarna ze komt te wonen aan de Grote Dwarsstraat in Paramaribo. Constantie overleed in 1797 maar in 1812 stond de woning aan de Grote Dwarsstraat nog op naam van Boedel Constantie van Nepveu. Jean Nepveu’s plantage was Ma Retraite, het Elisabethshof is mogelijk vernoemd naar zijn echtgenote Elisabeth Buys.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis