Frans en Fransina

← Terug

Frans en Fransina

Bij 2 manumissies die in 1846 plaats vonden werden de voornamen Frans en Fransina toegekend. De namen verwijzen naar de inbeslagname van een illegaal slavenschip in 1823 dat bekend werd als De Fransche brik La Légère.

In 1823 werd in Suriname de smokkel van slaven met een schip ontdekt dat bekend werd als de Fransche brik La Légère. De tot slaaf gemaakten waren afkomstig van Martinique met als bestemming Charles Humeau La Martinie, koopman te Paramaribo, die eigenaar was van katoenplantage Boksweide/Boxweide. Met het schip werden door schipper Pierre Poussin 353 tot slaaf gemaakten aangevoerd.

Nadat het was onderschept door de Engelse kapitein sir Thomas Cochrane werd het schip –dat onder Franse vlag voer- uitgewezen, maar het ging voor anker voor plantage Jaglust. Het Nederlandse schip de Kemphaan constateerde dat er ter plekke een aantal van de slaven werd afgevoerd voor eigen gewin.

Hierna werd het schip in beslag genomen en moest de vraag worden beantwoord wat te doen met de rest van de aangevoerde tot slaaf gemaakten. Bij besluit van de koning werden ze ambtshalve in 1823 tot vrije arbeiders verklaard. Raad-Fiscaal Van Heeckeren, de latere gouverneur, zou ze de status geven van vrije gouvernements-arbeiders waardoor ze door gouverneur De Veer gelijk slaven tewerk konden worden gesteld op landsgrond.

De met de La Légère aangevoerde gouvernementsarbeiders kwamen vermoedelijk terecht op ’s Landsgrond Boniface (in de omgeving van de later gebouwde Bonifatiuskerk). ‘s Landsgrond, of Lansigron, is in Suriname thans vooral bekend omdat dat de plek is waar de hulp voor behoeftigen geconcentreerd is.

Het is niet denkbeeldig dat Frans en Fransina behoorden tot de groep arbeiders in 1829 werden overgebracht naar plantage Voorzorg dat was aangewezen als “Modelplantage vrije gouvernementsarbeiders”, nadat deze eerder als leprozerie in gebruik was geweest.

Modelplantage Voorzorg kwam niet van de grond, en de door koning Willem I aangewezen gezant Johannes van den Bosch werd teruggeroepen. Het zou een vervolg krijgen nadat in 1833 door de West Indische Bank van Willem I plantage Catharina Sophia opgekocht en deze in 1843 werd deze omgevormd tot een moderne modelplantage.

Eind 1846 werden de toen nog in leven zijnde personen afkomstig van De Fransche brik La Légère eindelijk alsnog in de manumissieregisters genoteerd met de status Certificaat van manumissie (voor een binnengesmokkelde slaaf). Het betrof toen nog zo’n 100 mannen en 80 vrouwen.

Hieronder ook de manumissie van Frans en Fransina.

  Auteur: Nico Eigenhuis