Lindau Ten tijde van de emancipatie stonden plantages Berg en Dal en Beekhuizen…

Lindau

← Terug

 

Lindau

 

Ten tijde van de emancipatie stonden plantages Berg en Dal en Beekhuizen op naam van de nabestaanden van Charlotte van der Lith, de voormalige meervoudig gouverneursvrouw, die in 1750 te Fort Zeelandia werd begraven. Een opvallende naam onder de erfgenamen is die van Baron von Lindau.

 

Charlotte kreeg in Suriname met gouverneur Temming dochter Johanna Baldina (1726-1774). Na zijn overlijden erfden Charlotta, dochter Johanna en Temmings dochter uit zijn eerste huwelijk, Catharina Eleonora, plantage Berg en Dal. Charlotta kreeg met de opvolger van Temming, Hendrik de Cheusses, op Berg en Dal een tweede dochter, Henriëtte Maria (1731-1763). Met een derde gouverneur, Raye eigenaar van plantage Breukelerwaard kreeg ze zoon Joan (1737-1823).

 

Johanna Baldina Temming trouwde met Etienne Couderc die Suriname Raad van de Politie en de Criminele Justitie werd. Henriëtte Marie de Cheusses trouwde in 1753 in Den Haag met Philip Hendrik baron van Lindau en verhuisde naar Duitsland. Joan Raye jr. volgde in Leiden een rechtenstudie.

 

De Baron Phillip von Lindau kwam hij uit een tak van de Rijndynastie van Lindau uit het grondgebied van Nassau. Philipp Heinrich Julius von Lindau (1725–1762) kreeg in zijn huwelijk met Henriette Marie de Cheusses zes kinderen van wie er drie de volwassen leeftijd bereikten. Hun zoon Heinrich Julius von Lindau (1754-1776) staat te boek als een geesteszieke Hessische edelman en luitenant met een doodswens die in een soort zelfmoordmissie tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog om het leven kwam.

 

Aan het vroegtijdige einde van Heinrich Julius von Lindau gaat een romantische tragedie vooraf. Na het overlijden van zijn beide ouders werd hij op 8-jarige leeftijd naar Hamburg gebracht, waar hij op zeventienjarige leeftijd verliefd werd op Magdalena Poel, de dertienjarige dochter van een rijke Hamburgse koopman van Nederlandse afkomst. Een huwelijksaanzoek dat hij in 1774 deed werd door haar vader afgewezen.

 

In 1823 zien we als belanghebbenden in ambachts-heerlijkheid Breukelerwaard bij het Nederlandse Maarssen genoteerd: Jeanne Marie Couderc, Henry Zacharie Couderc, Wilhelm Ernest de Beaulieu Marconnay, Carel von Beaulieu Marconnay, Ernestine von Beaulieu Marconnay , Carolina Louise Baronesse von Lindau, weduwe van Baron von Marshalk en Ulrica von During-von Lindau. Het zijn achternamen die we in Suriname in die tijd ook terugzien als eigenaren van het Surinaamse Berg en Dal en plantage Breukelerwaard.

Op de afbeelding Heinrich Julius von Lindau


Source