Liberia-koffie

← Terug

Liberia-koffie

In 1925 werd Professor Stahel indringend bevraagd over de sterfte in de Liberia-koffieplanten. Hij gaf te kennen dat deze mede werd veroorzaakt door de droogte, maar dat hiernaast landbouwproefstation al jaren aandacht had voor de zeefvatenziekte in de Liberia-koffie. Zowel Van Dijk als Fernandes zouden zich hier nader op richten.

Stahel had kennelijk het nodige vertrouwen in de Liberia, want hij gaf aan al over een vrij volledig koffiefabriekje te beschikken waarin hij –naar Amerikaans voorbeeld- experimenteerde met kunstmatige beschimmeling van de koffiebonen ter verbetering van de smaak. Hiernaast was hij de mening toegedaan dat de Surinaamse variant van de in Indië beruchte boeboek-insecten lokaal weinig schade aanrichtten.

Na de opening van de Weyneweg in 1926 liet professor Stahel bij Albina een koffieproeftuin aanleggen die door Fernandes werd gerund. Deze zou nadien worden overgenomen door de Britten Barclay en Isac die in 1922 te Galibi een beloftevolle cocosplantage waren gestart. In 1930 zou Fernandes samen met Ir A. Gemmel met de door hem opgedane inzichten een nieuw type koffiefabriek introduceren in Suriname. De eerste uitkomsten werden met belangstelling gevolgd door Stahel en de Nederlandse grootgrutter De Gruyter.

In 1932 zou namens het proefstation entomoloog Bunzli verwoorden dat de zeefvatenziekten een soort wortelinfectie betrof. Hij deed als belangrijkste aanbeveling geïnfecteerde bomen zo snel mogelijk te verwijderen .

In 1937 werd over de keuze voor de teelt van Liberia-koffie anders gedacht. Het werd gezien als het teveel spelen op een kaart, waardoor er sprake was van overproductie en teveel concurrentie. Bepleit werd om te gaan differentiëren door in te zetten op de teelt van citrus en bacove.

  Auteur: Nico Eigenhuis