Kielstra en het vluchtelingenvraagstuk

← Terug

Kielstra en het vluchtelingenvraagstuk

In 1938 kwam Kielstra naar Nederland waar hem de vraag werd gesteld of Suriname een oplossing kon bieden voor het ontstane vluchtelingen-vraagstuk inzake de Duitse joden in Nederland. Zijn antwoord liet het nodige te wensen over.

 

Eind van de jaren dertig waren er reeds plannen van de VS en van de Jewish Colonization Society om Europese joden naar overzeese koloniën over te brengen. De Nederlandse gouverneurs op de Antillen en in Suriname waren in deze terughoudend.

 

Eind 1938 bezocht Kielstra Nederland waar hij onderhandelingen voerde met het ministerie van koloniale zaken en een aantal particuliere bedrijven, met als een van de speerpunten de ontwikkeling van de Surinaamse rijstsector, waarvoor hij graag nog meer Javanen naar Suriname wilde halen.

 

Nederland zelf sloot in december 1938 de grens voor joodse vluchtelingen. De SDAP reageerde verontwaardigd, de fractievoorzitter van de SDAP Johan Willem Albarda stelde dat er ‘een groot sentiment onder het Nederlandschen volk was om hulp te bieden’. De Nederlandse regering werd door het parlement gedwongen de toelatingsquota te versoepelen van 2000 naar 7000 vluchtelingen.

 

Kielstra werd gevraagd naar zijn standpunt inzake de interpellatie Alberda in de kamer met betrekking tot het vluchtelingvraagstuk en de mogelijkheid ze in Suriname te vestigen. Hij zag mogelijkheden voor kleine groep kapitaalkrachtige ondernemers er zich te vestigen, mits ze hiervoor geschikt waren en bereid om afstand te nemen van de nodige gemakken .

 

Uiteindelijk zouden ook enkele niet bemiddelde Nederlandse joden vlak voor of in het begin van de oorlog naar Suriname komen. Ernst Henri Adelaar uit Deventer overleefde de Sjoah als enige van het gezin Adelaar-Fürth door zich in 1939 in Suriname te vestigen. De echtgenote en twee kinderen van de Haagse winkelier van Poolse oorsprong Arie Lew wisten nog na diens overlijden in december 1941 naar Suriname te vluchten.

 

Het bekende duo Feinland, bestaande uit de Oostenrijkse jood Alexander Feinland en zijn vrouw Bep Feinland-Bos Janszen, kwam reeds in oktober 1938 naar Suriname vanwege de spanning in Europa en de Jodenvervolging. Ze werden tijdens WOII in Suriname kort geïnterneerd omdat ze een Duits paspoort hadden. Het zou er meerdere Joodse Duitsers overkomen. De internering werd snel ongedaan gemaakt, al werd het echtpaar Feinland wel onder toezicht gehouden.

 

Kielstra zou tijdens de oorlog alsnog een opvang regelen voor joodse vluchtelingen uit Europa, maar de weinig proactieve houding van de gouverneurs in de West zou na de oorlog desalniettemin kritisch worden onderzocht.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis