Kamp Charmes

← Terug



De gebroeders De Jong



Over de broers L en F. de Jong weten we niet veel meer dan dat ze in Suriname als goudzoekers actief waren op hun “placer De Jong”. Hun activiteiten waren eind 19e eeuw aanleiding voor de nodige politieke schermutselingen, waarbij Julius Eduard Muller een belangrijke rol speelde.



Julius Eduard Muller (1846-1902) zette zich maatschappelijk en politiek in voor de ontwikkeling van Suriname. Als fotograaf bracht hij Suriname positief in beeld om investeerders en kolonisten naar Suriname te trekken. Hij vond voor zijn werk een medestander in Johan François Adriaan Cateau van Rosevelt (1824–1891), de eerste agent-generaal voor de Immigratie, die in 1876 werd genoemd bij een Nederlands-Belgisch initiatief, te weten de Gouddelvingsmaatschappij Nickerie, waarvoor werd beoogd 250 Chinezen aan te trekken.




In 1881 kwam het tot een ernstig conflict tussen Julius Muller en de toenmalige gouverneur Van Sypesteyn als de laatste probeert de begrenzing van het goudplacer De Jong -waarin Muller belangen heeft- in te perken. Het conflict liep zo hoog op dat van Sypesteyn naar verluidt trachtte Muller op te sluiten als geestesgestoorde. De kamer oordeelde dat Van Sypesteyn door zichzelf in de goudbranche te storten ongeoorloofd had gehandeld en de kwestie leidde uiteindelijk tot het aftreden van de gouverneur.



Na de vondst in 1893 van een aantal grote goudklompjes ‘papites’ door L.&F. de Jong te Mindrineti ontstond het idee bij Muller om de Lawa-spoorweg aan te leggen naar de goudvelden in de binnenlanden. De gebroeders de Jong liepen op hun eigen placer hier al op vooruit door gebruik van een lokale trein van het type Decauville, dat na 1875 was ontwikkeld door spoorwegpionier Paul Decauville (1846-1922).



Mullers idee van een spoorlijn kreeg steun van gouverneur Asch Van Wijck die in 1893 zelf de gebroeders de Jong had bezocht, en door zijn toedoen ging ook “Den Haag” overstag. In Suriname zelf werd de aanleg van de Lawa-spoor door de lokale deskundigen met argusogen bekeken. In 1905 –het jaar van het gereedkomen van de spoorlijn- kwam Julius Halfhide met zijn “De landbouwcrisis in Suriname” waarin hij grootschalige investeringen in de landbouw bepleitte, gekoppeld aan het aantrekken van nieuwe immigranten en een verdere differentiatie. George Rustwijk zou zijn pleidooi onderschrijven, en diens docent O’Ferrall ridiculiseerde de aanleg van van de goudlijn door Lely.


Toen de spoorlijn naar Lawa gerealiseerd was kende het als haltes De Jong Noord en De Jong Zuid. Veel goud werd er direct na de aanleg niet gevonden, maar in 1932 werd er alsnog op Mindrineti 40 kilo goud gevonden, de grootste vondst ooit in Suriname. Tot de vinders behoorde de “Gowtu missie” Alexandrina Paulina Bruyning.



 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis