Jan Hendrik Babel

← Terug
 
 
Jan Hendrik Babel
 
 
Na de emancipatie kwam plantage Mon Affaire aan de Orellana kreek in handen van Jan Hendrik Babel, die als ‘vrije arbeider’ in Suriname terecht was gekomen. Op zijn naam staan in 1863 een viertal manumissies.
Over de achtergrond van Jan Hendrik Babel bestaat de nodige onduidelijkheid, maar de naam Babel is in de 18e eeuw ook in Nederland te vinden, en begin 19e eeuw was op Curaçao te Willemstad ook de naam Van Babel bekend. Jan Hendrik kwam begin 19e eeuw naar Suriname waar hij zich in Paramaribo vestigde en als handelaar in het district Commewijne actief was.
 
 
Koffieplantage Mon Affaire kende medio 18e eeuw als eerste eigenaar Cornelis Leever junior, wiens vader eigenaar was van Leeverpoel. Hierna kreeg het als eigenaren Kobert en vervolgens Pottendorff uit het Duitse Brunswijk. Kort na de beurskrach van 1772 kwam Pottendorff te overlijden en kwam de plantage in handen van zijn weduwe. Als directeur fungeerde Bruyning, die de plantage zou overnemen en naast koffie ook katoen zou telen. Medio 19e eeuw raakte de plantage buiten gebruik.
 
 
De manumissies door Jan Hendrik Babel in maart 1863 betekenden voor betrokkenen dat ze het staatstoezicht zouden ontlopen. Er werden twee namen toegekend te weten Lebab -een omkering van Babel- en Hendriks, een verwijzing naar Babels voornaam. Een van de manumissies betrof de 11-jarige Santje Lebab, die als koewachtster werkzaam was.
 
 
Kennelijk onderhield Jan Hendrik Babel ook contacten met de Brooskampers. Zij zouden zich na de emancipatie in 1863 bij de gouverneur vervoegen om duidelijkheid te krijgen over hun status, en zouden zich nadien op de verlaten plantage Rac-a-Rac mogen vestigen. Bij de familienamen die aan ze werden toegekend werd ook de naam Babel toegekend, en naast Rac-a-rac zouden de Babels nadien ook gevestigd zijn op plantage Rorac en de door Jan Hendrik Babel aangekochte plantage Mon Affaire.