Doop voor den Vrijdom

Doop voor den Vrijdom

← Terug

[ad_1]

Doop voor den Vrijdom

Eind 18e eeuw was het dopen van slaven nog een punt van discussie in Suriname. Begin 19e eeuw werd het door toedoen van gezant van de Koning Johannes van den Bosch gezien als voorwaarde om tot vrijmaking over te gaan. Met name de EBG-ers namen dit signaal serieus.

Het evangeliseren van slaven kreeg in 1776 een aanvang met de doop van Christiaan Cupido door de EBG in Paramaribo. De eerste EBG-post op een plantage werd in 1778 geopend op Fairfield, die eigendom was van de familie Macintosh. In de periode 1779-1828 zou de EBG ruim 600 nieuwe leden inschrijven. In 1813 staat als nieuw lid van de EBG de slavin “Justine van plantage Fairfield” genoteerd.

Jane Ann Gill was de echtgenote van de Engelse koopman William Leckie (1779-1824) met wie ze een zoon had, John Jacques. Anno 1818 manumitteerde Leckie “de mulatte jonge George, zoon van de vrije negerin Jessiba, en de neger Lindsaij “. Na zijn overlijden wordt hiernaast in 1831 melding gemaakt van de aanwezigheid van “de vrije William van Leckie”.

In hun groen geschilderde pand aan de Waterkant hadden de Leckies een prominent handelspand gevestigd dat in 1821 bij de Grote ‘Outalissie’ brand in vlammen opging. William Leckie behoorde tot de grootste slachtoffers, en mogelijk kwam hij deze klap niet te boven. Hij overleed in 1824.

In 1828 -vier jaar na het overlijden van Leckie- zou zijn erfenis worden afgewikkeld. Zijn vrouw Jane Ann, die inmiddels woonachtig was aan de Wagenwegstraat, zou datzelfde jaar naar aanleiding van de Heilige Doop van de negerin Nancy door de Moravische Broedergemeente (EBG) vragen om de Brieven van Vrijdom. Nancy zou hierna door het leven gaan als Anna Elisabeth.

Het huis Leckie aan de Waterkant, detail van een diorama van Gerrit Schouten


[ad_2]
  Auteur: Nico Eigenhuis
FOSTEN TORI NANGA HISTORI