Hokstam’heeft zijn historische informatie voornamelijk geput uit Stedman. Verder heeft hij blijkens mededelingen op de laatste pagina nog het werk van Herskovits en B.E.C. Belmonte (uit 1855) doorgenomen.
Hij verwijst ook naar Soldier in Paradise, de voortreffelijke historische roman van Louise Collis over Stedman. Er bestaat echter een groot aantal bronnen, en veel beter, dat Hokstam niet bekeken heeft. In hetzelfde jaar dat Stedmans boek verscheen, publiceerde de gouvernementsklerk Charles Brouwn in de Surinaamse almanak een overzicht van de Bonioorlogen.. Bij Wolbers zijn gegevens te vinden over de periode na 1777. Hurault (1960) geeft een uitgebreid overzicht van de Boni-geschiedenis gebaseerd op Frans archiefmateriaal.
De zendeling Axwijk publiceerde onder pseudoniem Ajax in De West (1961) een serie artikelen over Boni en Aloekoe op grond van gegevens die hij aan de Marowijne en Lawa bij Boni’s en Aukaners had opgetekend. Abbenhuis (1964) maakte ter gelegenheid van honderd jaar Emancipatie een boeiende biografie van Boni. Pakosie hoorde van zijn vader het verhaal over Boni’s dood en stelde dat in 1972 op schrift.
Een artikel van De Groot uit 1975 bevat een vrij volledig overzicht van de eerste Boni-oorlog (1768-1777), en haar artikel uit 1980 over de dood van Boni is prozaïscher dan de tekst die Hokstam aan deze periode wijdt. Boni is niet zomaar iemand. Boni is duidelijk een historische figuur, hetgeen de romanschrijver beperkingen oplegt.
Hoe ziet de historische werkelijkheid rond Boni er nu volgens Hokstam uit? Ik zal Hokstams visie hieronder beknopt weergeven. Daar ik behoefte heb zijn verhaal van kanttekeningen te voorzien, maar voor de overzichtelijkheid mijn opmerkingen pas na afloop geef, zal ik met letters de passages merken, waarop ik later terugkom.
Mr. D.B., de eigenaar van plantage Fauconberg, heeft een beeldschone slavin, Cery genaamd , die de favoriete is van een andere planter, Kruijthof. Mr. D.B. weigert Cery aan Kruijthof te verkopen, ondanks het feit dat zij van Kruijthof zwanger raakt. Op een dag overvallen Marrons de plantage Fauconberg en richten daar een bloedbad aan. De planters gaan te paard met bloedhonden de Marrons achterna en weten een van de moordenaars te vangen .
Deze Marron, Joosje genaamd, wordt op de plantage aan de vleeshaak opgehangen . Deze gebeurtenis grijpt Cery zo aan, dat zij besluit naar de Marrons te vluchten. In het bos baart zij Boni . Omstreeks 1768 wordt het Marrondorp van Cery en Boni overvallen. Boni, zijn vrienden M’bono en Ascaan en enige andere jongeren zijn op dat moment op jacht en ontkomen aan het bloedbad dat de overvallers aanrichten. Bij hun terugkomst blijken alle inwoners, inclusief baby’s, bejaarden en vrouwen, te zijn vermoord. Ook de moeder van Boni is onder de slachtoffers .
Boni besluit deze gebeurtenis te wreken. Hij en de in leven gebleven jongens trekken naar het plantagegebied. Daar zien zij hoe blanken, hoog te paard gezeten, met de karwats in de hand over de velden rijden, die door de slaven en slavinnen bewerkt worden. Van tijd tot tijd dalen de karwatsen neer op de bezwete ruggen van de werkenden .
’s Avonds zijn zij er getuige van hoe de slaven naar hun gevangenissen worden teruggedreven en daar worden opgesloten . In stilte sluipen de jongeren naar de plantagegebouwen . Daar roven zij geweren en goederen.
Ook slagen zij erin enige slaven te bevrijden.
Na deze strooptocht vinden nog drie overvallen plaats. De groep van Boni groeit uit tot een gezelschap van vierentwintig jonge mannen en zes jonge vrouwen. Boni heeft gehoord dat ergens een belangrijk fort van Marrons ligt, Boekoe genaamd, en hij besluit met zijn groep daarheen te gaan.
Zij worden door de Marrons op grote afstand van Boekoe bemerkt en naar hun fort gebracht. In Boekoe komt Boni eerst in contact met Jolicoeur, een mulat van Rodebank . Later wordt hij naar Baron gebracht, een voormalige slaaf van d’Ahlberg, de aanvoerder van fort Boekoe. Boni plaatst zich onder het bevel van Baron. Deze gebeurtenis vindt plaats in 1769 .
Hokstam maakt nu een sprong naar 1772. Begin juli van dat jaar confereren gouverneur Nepveu, kapitein Mayland, luitenant Friderici, Dumaire en Kruder over de penibele situatie in de kolonie (k). Na verhitte debatten wordt besloten een Neger Vrijcorps op te richten. De Redimoesoe worden onmiddellijk aan het front ingezet.
Vaandrig Sebulo verovert, gesecondeerd door 50 negersoldaten, een Marrondorp . Dit maakt duidelijk dat de Redimoesoe ook in staat moeten zijn een locatie als Boekoe in te nemen. Zij vinden dan ook het pad naar Boekoe en weten het dorp in te nemen. Baron ziet echter nog kans twaalf Redimoesoe op wrede wijze te vermoorden . Jolicoeur sneuvelt en Boni vlucht alleen.
Hij wordt door een oude man en diens zoon Padoe liefdevol opgenomen. Wat er verder met Boni gebeurt, vertelt Hokstam niet. Hij zegt enkel dat Boni naar Frans-Guyana vlucht en hervat de beschrijving van diens leven weer in 1783. Zijn verslag over de Bonioorlog in het Cotticagebied (1772-1777) is een excerpt van Stedman, echter warrig en door stijl en compositie een vreemd element in het verhaal.
In Frans-Guyana legt Boni de nederzetting Les Amis aan . Intussen heeft Boni vijf vrouwen. Zijn jongste vrouw, Héno, heeft hem een zoon geschonken, Agoeroe, die als Hokstam de draad van het verhaal weer oppakt, zes jaar oud is. Boni memoreert dan dat het zeker tien jaar is na de dood van zijn moeder, en vijf à zes jaar na de vlucht uit Suriname. Boni blijkt intussen stamhoofd geworden.
Zijn luitenants zijn de tweeëntwintigjarige Cormantijn Codjo, weggelopen van plantage Denverre en Padoe. Ascaan, de strijdmaker uit Boni’s jeugd, is nog steeds in het kamp. Boni deelt zijn 500 stamgenoten mee dat zij moeten terugkeren naar Suriname, omdat zij in Frans-Guyana niet thuishoren.
Ascaan is hier tegen. Boni zet echter door. Het bericht van Boni’s terugkeer op Surinaams grondgebied leidt tot onrust in Paramaribo. Aukaners onder Thies trekken tegen Boni ten strijde en vallen een afgelegen kamp aan, waar zij zeven mannen en veertien vrouwen vermoorden (q). Zij durven evenwel niet verder naar Boni op te trekken.
Yalo, een van Boni’s vrouwen, pleegt overspel met Ascaan en wordt door Boni betrapt. De overspeligen worden het dorp uitgejaagd. Kort daarna overvalt Boni de plantage Clarenbeek (r) en sluit vrede met de Aukaners en Indianen (t). De Aukaners staan hierbij onder leiding van hun hoofdman Bambi . Indianen en Aukaners weigeren echter Boni te helpen bij zijn strijd tegen de Nederlanders.
Ascaan, verbitterd over zijn verstoting, wordt door Yalo overgehaald naar de blanken over te lopen en hun te vertellen waar Boni’s nederzetting verscholen ligt. Dankzij Ascaans hulp wordt Boni’s kamp, Aroekoe, ingenomen. Boni en het handjevol overgebleven Marrons trekken zich diep in het oerwoud terug (u). Op een avond ziet Boni door de takken een aap slingeren.
Als het dier op de grond springt, verandert het in zijn overspelige vierde echtgenote Yalo. Boni geraakt onmiddellijk weer in haar ban. Samen brengen zij een wilde nacht door. Tegen de ochtend verdwijnt Yalo echter snel, met medeneming van Boni’s zilveren armband, een geschenk van zijn moeder en zijn talisman .
Boni begrijpt nu dat hij verloren is en vraagt in 1792 de Nederlanders om vrede (w). Gouverneur Friderici wil daar niet op ingaan. Hij stuurt twee afgezanten naar de Aukaners om deze stam tegen Boni op te hitsen. Agoeroe en Padoe, die in de buurt van het dorp Onderblauw zijn, waar deze afgezanten slapen, besluipen ’s nachts de huizen en nemen de twee Nederlanders gevangen. De Aukaners zijn daarover zo verontwaardigd dat zij besluiten tegen de Boni’s ten strijde te trekken .
Het lot van Boni en de zijnen is snel bezegeld. Zij werden reeds verslagen bij Aroekoe; het restant is nauwelijks tegenpartij. Na felle gevechten sneuvelen alle Boni’s. Boni zelf blijft het langst tegenstand bieden, maar valt ten slotte in handen van Bambi, de hoofdman van de Aukaners. Met een slagersmes zaagt Bambi Boni’s nek door. Boni’s hoofd wordt in een korjaal gezet.
Daar waar de Cottica in de Suriname mondt, neemt Boni nog een keer wraak. De lucht begint te scheuren en het water te koken. Als de natuurkrachten gaan liggen, is Boni’s hoofd verdwenen Tot zover Hokstam over het leven van Boni. Zoals gezegd, zal ik zijn reconstructie van commentaar voorzien.
Hokstam laat zijn verhaal in het Cotticagebied beginnen. Dit is inderdaad de streek waar de Boni’s zich eerst vestigden. De plantage Fauconberg (Fauquemberg) lag echter aan de Boven-Commewijne. De namen Mr. D.B., Kruijthof en Cery heeft Hokstam aan Stedman ontleend. Mr. D.B. was de eigenaar van Fauconberg en van Cery. De planter Kruijthof had bij deze Cery een kind verwekt, dat was Joanna, de vrouw op wie John Gabriel verliefd werd. Stedmans Cery is nooit naar de Marrons gevlucht. Zij kan dus niet de moeder van Boni zijn.
Voor zover ik weet is de plantage Fauconberg nooit door Marrons overvallen. Wel werd in 1772 het noordelijker gelegen Nieuw-Roosenbeek overvallen en in 1789 het zuidelijker gelegen Clarenbeek. De verbindingen in Suriname tussen de plantages werden meestentijds met korjalen via de rivieren onderhouden. Paarden als rijdier kwamen buiten Paramaribo nauwelijks voor.
Het beeld dat Hokstam hier schetst van een jacht op Marrons, lijkt historisch nergens op. Bospatrouilles (zo werden de jachtpartijen op weggelopen slaven genoemd) gingen steeds te voet. Er werd geen gebruik gemaakt van honden. Het is ook ondenkbaar dat blanken zonder hulp van vertrouwde slaven op patrouille gingen. Daar waren zij veel te bang voor.
De Marron Joosje is een historisch persoon, die ook door Stedman beschreven werd en door Blake gegraveerd. Joosje werd in 1730 op last van het Hof van Politie ter afschrikking van de slaven met een vleeshaak opgehangen. Hij was een Saramakaan en was door troepen gevangen in het gebied tussen de Boven-Suriname en de Saramacca. Cery was volgens Hokstam zwanger van Boni toen Joosje werd opgehangen. Op blz. 170 vermeldt Hokstam dat Boni in 1765 dertien jaar oud was. Dan zou deze gebeurtenis dus in 1751 of ’52 hebben plaatsgevonden. Plaats en tijd van executie van Joosje zijn bij Hokstam niet correct.
Boni was in werkelijkheid veel ouder. Hij moet rond 1730 geboren zijn.
In 1768 namen de troepen van de planters het Marrondorp Kosay in12.. De inwoners slaagden er echter in tijdig te vluchten en werden niet door de troepen uitgemoord. Het was niet alleen goedertierenheid dat de vluchtelingen het leven gelaten werd; zij waren eigendom van iemand, bezit, weggelopen kapitaal als het ware. De moeder van Boni is in 1768 niet gesneuveld. Uit een archiefstuk van 1773 blijkt dat zij toen nog leefde13..
Het beeld dat Hokstam hier schetst van de slavernij lijkt teveel op een goedkope Hollywood-produktie. Het toezicht op de slaven op het veld werd uitgeoefend door basja’s (negeropzichters). Daarbij ging het niet zo wreed toe als uit Hokstams beschrijving moet blijken.
Plantageslaven werden na afloop van het werk niet opgesloten ofgeketend. Hun bewegingsvrijheid was veel groter.
Hokstam beschrijft slechts één keer een aanval van Boni’s op een plantage. Hij laat de Marrons dan in stilte naderen. Hoewel in het kader van Hokstams verhaal een met veel kabaal gepaard gaande overval voor Boni en de zijnen zelfmoord zou hebben betekend, was een ‘stille’ aanval niet Boni’s stijl.
Boni hield van spektakel. Voordat hij een plantage aanviel, had hij de zaak goed bespied. Hij viel met een grote overmacht aan en maakte daarbij hels kabaal. Men schreeuwde, blies op hoorns, sloeg op de drums en schoot in de lucht. Dit ontzettende kabaal zorgde vaak voor de grootste paniek. Na afloop van een aanval bleef men vaak nog op een plantage om te branden, te dansen en te drinken.
Solicoeur was niet afkomstig van de plantage Rodebank, zoals De Ridder en in navolging van hem Wolbers en De Kom (1934) vermelden, maar van Fauquemberg. Een plantage met de naam Rodebank heeft in Suriname nooit bestaan. Deze vergissing is te wijten aan het door De Ridder foutief lezen van de Nederlandse editie van Stedman.
De Schot zegt dat Jolicoeur aanwezig was bij de overval op de naast Fauquemberg gelegen plantage ‘Nieuw-Rosenbach’. Dit Rosenbach werd bij De Ridder Rodebank. Elders schrijft Stedman dat Jolicoeur een slaaf was van ‘Fauconberg’. Hij was zelfs de beschermer van Cery en Joanna, voor hij naar het bos vluchtte. De Zweedse planter Dahlberg is de eigenaar van Baron geweest.
Dat Baron ouder en belangrijker was dan Boni, is een misvatting. Het is niet zo dat Boni zich onder Baron plaatste, maar de Creool Baron is naar de groep van Boni gevlucht. Baron heeft zich een aantal keren van Boni afgescheiden.
In juli 1772 behoorde hij bij de aanvallers op Poelwijk, maar daarna keerde hij niet naar Boekoe terug. Bij de val van Boekoe bevond Baron zich elders, waarschijnlijk in het Patamaccagebied. Baron sneuvelde bij een aanval op de houtgrond van ene Winne in het Patamaccagebied in juli 1774.
De namen Nepveu, Mayland en Friderici zijn historisch; zij speelden een rol rond de inneming van Boekoe. Dumaire en Kruder zijn echter scheppingen van Hokstam. De oprichting van het ‘Neger Vrijcorps’ is niet gegaan, zoals Hokstam dat van blz. 241-251 beschrijft. Zie hiervoor Wolbers 1861: 320-325
(Zoals ik eerder schreef veroverde Sebulo reeds in 1771 het dorp Boekoe. Het ‘Neger Vrijcorps’ bestond toen nog niet. Ook hier verwijs ik naar mijn reconstructie van de gebeurtenissen rond Boekoe.
(n) Jolicoeur sneuvelde een jaar
12.Zie De Groot 1975: 31-32 en Hoogbergen 1983: 88. Een gedeelte van het authentieke verslag van de adelborst Jacot, die dit dorp innam, is te vinden in De Beet (1984: 77-79)
13.ara-svs 351, fo 32 en verder.
later bij de overval op het commando van luitenant Lepper. (o) Boni vluchtte niet als eenling na de val van Boekoe. Jarenlang streden hij en zijn stamgenoten tegen de Sociëteitstroepen en Statentroepen van Fourgeoud14.. Na de evacuatie van de Boni’s naar Frans-Guyana bouwden zij aan de Sparouine vier dorpen, waarvan het grootste dat van Boni, Aloekoe en Agosoe was. Het heette Gadogron. Rond 1783 verhuisden de Boni’s naar de Franse oever van de Marowijne.
(p) Zes jaar na de vlucht naar Frans-Guyana is: 1782-’83. Hokstam schuift hier de Boni-geschiedenis in elkaar. Pas in 1789 zullen de Boni’s opnieuw de Marowijne oversteken en plantages in Suriname aanvallen, hetgeen uit Hokstams tekst verderop overigens blijkt.
(q) Kormantin Kodjo was veel ouder. Al voor 1760 was hij hoofdman van een groep Marrons die een dorp hadden tussen de Suriname- en Commewijnerivier. Kormantin Kodjo was afkomstig van St. Barbara, een plantage aan de oostoever van de Beneden-Suriname. Denverre is een vinding van Hokstam. Een plantage met deze naam heeft nooit bestaan.
(r) Thies was in 1779 posthouder15. bij de Aukaners. Hij leidde een bospatrouille van Aukaners naar het dorp van ene Koki. Deze Koki was een Marron met een zeer interessante levensloop, waarop ik hier niet kan ingaan, maar wil verwijzen naar mijn publikatie van 1984: 10-15. Bij deze aanval op het dorp van Koki werden zeven mannen gedood en tweeëntwintig vrouwen en kinderen gevangen genomen.
Over deze aanval rapporteert ook De Groot (1970:294). De mededeling van Hokstam heeft dus, als zo vaak, een kern van historiciteit, maar is door de onzorgvuldigheid onjuist. (Het gebeurde eerder in de tijd, tegen een andere groep en Hokstam maakt van gevangenen: gedoden.)
(s) De vondst van de verhouding tussen Ascaan en Yalo blijft voor rekening van Hokstam. Hier valt historisch niets over te zeggen. Het is bekend dat Boni een liefhebber van vrouwen was, en men vermeldt op een bepaald moment zelfs dat hij acht vrouwen de zijne mocht noemen. Of een van hen Yalo heette, is onbekend. Ascaan is wel een bestaande persoon.
Er zijn echter twee Ascaans. De ene is Askaan van Marseille, de reeds eerder genoemde Aloekoe, de andere is Askaan van Ephrata. Deze laatste Marron woonde sinds ca. 1774 bij de Boni’s. Hij was één van Boni’s kaptens16., Askaan van Ephrata liep in 1770 tezamen met zijn moeder en broer van Ephrata weg. Volgens Brouwn (1796) werden zijn moeder en broer in 1772 bij de verovering van Boekoe gevangen genomen. Rond 1788 scheidde Askaan zich van de Boni’s af en ging bij de Aukaners wonen. Hier werd hij door de posthouder bij die stam overgehaald naar de Nederlanders over te lopen. Dit gebeurde in februari 1790.
Boni heeft vrede gesloten met de indianen die langs de Marowijne woonden en de Aukaners. Dit vond echter plaats kort na zijn vlucht naar FransGuyana (rond 1780). Zie hiervoor Hoogbergen 1984. In de periode die Hokstam nu beschrijft, zo’n tien jaar later, werd de vrede tussen Aukaners en Boni’s juist weer verbroken, voornamelijk als gevolg van de opstokerijen der Nederlanders.
Niet Bambi, doch Pamboe was de gaanman van de Aukaners in deze periode. Pamboe overleed in 1790. Zijn opvolger was Toni. Deze opvolging werd door Bambi betwist. Toni was pro-Boni, Bambi veel meer Nederlands gezind. In 1808 overleed Toni, waarna Bambi gaanman werd.
Askaan hielp de Nederlanders inderdaad bij de verovering van de Bonidorpen bij de Lamakévallen in mei 1790. Het is niet zo dat na de inneming van Arokoe nog slechts een handjevol Boni’s over waren. De meeste Marrons hadden tijdig naar het zuiden weten te vluchten. Bij de Pedrosoengoevallen werden nieuwe dorpen gebouwd .
Het verhaal van de aap die in een mooie vrouw veranderde, is in de orale traditie bekend. Zie hiervoor: De Groot 1980. In de orale traditie vindt deze gebeurten is echter later plaats.
Ook hier is de chronologie van de gebeurtenissen onjuist. Na de inneming van Arokoe begonnen de Boni’s met de Nederlanders over vrede te onderhandelen. Deze onderhandelingen sleepten zich bijna een jaar voort. In augustus 1791 hervatten de Nederlanders de strijd met aanvallen op de dorpen bij de Pedrosoengoevallen. Boni evacueerde zijn stam toen naar de Lawa .
De werkelijke geschiedenis is hier veel boeiender dan Hokstams verhaal. In het Aukaanse gaanmandorp Animbaw woonde de posthouder met twee assisten-
Zie De Groot 1975, Brouwn 1796, De Beet 1984 en natuurlijk Stedman 1796.
Sinds de vrede tussen het gouvernement en de Aukaners in 1760 woonde er bij de gepacificeerde Marrons een blanke bestuursambtenaar, posthouder genaamd.
Brouwn (1796) heeft bij zijn artikel gebruik gemaakt van het proces-verbaal van Jonas van ‘s-Haagenbosch. Verder heeft ook De Beet een aantal van deze verhoren gepubliceerd
ten. In dit dorp lag ook het graf van gaanman Pamboe. Agosoe dacht dat in Animbaw bij de posthouder ammunitie was. Daarom overviel hij het vrijwel verlaten dorp. Op het graf van Pamboe dansten bijen de circa vijftien strijders die bij hem waren onder het zingen van honende liederen. De posthouder wist in zijn pyjama – de overval vond ’s morgens vlak na zonsopgang plaats – te ontkomen.
De twee assistenten werden door de Boni’s meegenomen. Zij werden echter na enkele dagen weer vrijgelaten. De Aukaners trokken voornamelijk tegen Boni ten strijde om zich te wreken voor het gezichtsverlies dat zij door Agosoe’s actie geleden hadden (Zie De Groot 1980 en Hoogbergen 1983 en 1984).
(z) De strijd was niet zo heroïsch als Hokstam tekent. Een expeditie van Aukaners die tegen Boni optrok, omsingelde in de nacht zijn huis. Bambi drong naar binnen en schoot Boni in zijn slaap dood (De Groot 1980; Hoogbergen 1983-1984). Boni’s hoofd werd afgehouwen om in triomf in de dorpen te worden getoond. Op weg daarnaar toe, ergens tussen de Marouini en de Inini sloeg de korjaal van Bambi om. Alle goederen, inclusief het hoofd van Boni, verdwenen in de kolkende golven.
