taal, language


Happy Boys

 

WAT EEN GELUK MOET JE HEBBEN WANNEER JE TOEGANG KRIJGT TOT HET ARCHIEF VAN DE LEGENDARISCHE GUITARIST Harold Biervliet. BEDANKT HAROLD VOOR DE MOOIE FOTO’S. THE HAPPY BOYS ORIGINAL. 👏❤💪👑🎶🎺🎸🎷🎹🎤👏🎶🎺🎸🎷❤

 

  Cheryll van Leewaarde

Mariënburg in Suriname

 

 

VERGANE GLORIE

Impressie van de gang van zaken op de suikerrietplantage Mariënburg in Suriname.

Een veld met wuivende rietstengels;

– arbeiders lopen door het veld, hakken de rietstengels af met kapmessen en maken er bundels van;

– de bundels worden met een smalspoor-stoomtreintje naar de suikerfabriek gebracht;

– in de fabriek worden de stengels verwerkt tot suiker.

 

[fb_vid id=”photo_id”:”10220099070682388″”][fb_vid id=”10220099070682388″]

 

  Cheryll van Leewaarde

Surianto en het orkest Suara Istana

 

Leuk artikel over de oprichter van het orkest Suara Istana e.a. Hij heeft ook gespeeld met mijn oom Paul Rodrigues in de Trekkers. Jammergenoeg is mijn oom te vroeg overleden. Hij was de oudere broer van wijlen René Rodrigues (Rodrigues Combo).

 

Surianto
Surianto, geboren als Désa Lasmborek (Plantage Johannesburg, 23 december 1937 — Paramaribo, 17 maart 2006), was een Surinaams-Javaans dichter en musicus. Surianto was het pseudoniem van Ramin Jozef Hardjoprajitno.

 

Hij werd geboren op de Désa Lasmborek, oftewel de Plantage Johannesburg aan de rechteroever van de Commewijnerivier. Surianto’s vader was geboren in Pekalongan op Midden-Java en behoorde tot de voorlaatste groep Javaanse immigranten. Surianto’s grootouders van moederszijde waren al eerder naar Suriname gekomen. Op vierjarige leeftijd ging Ramin naar Paramaribo. Hij volgde het MULO, later een Middelbare Ambtenarenopleiding aan de Universiteit van Suriname en een Correspondence Course van de New Yorkse United States School of Music met als hoofdvak viool. Vijftien jaar leidde hij de dansorkesten Suara Istana en Irama Asli, aan huis gaf hij muzieklessen en hij speelde eerste klarinet in harmonieorkest De Trekkers. Hij was werkzaam in verschillende administratieve banen, vervulde verschillende functies in het verenigingsleven en verzorgde radioprogramma’s.

 

Zijn eerste gedicht verscheen in maart 1984 in het tijdschrift Cikal; het heette `Penriman’, Dankbaarheid. Hardjoprajitno koos als pseudoniem Surianto, een samentrekking van de woorden surya, dat in het Javaans `zon’ betekent, en ianto, dat komt van ontong, bloem en vruchtbeginsel van de pisangboom. Later verscheen zijn werk in de bladen Riwayat en AZ Nieuws, in het Indonesische blad Mekar sari, de Suriname-nummers van Deus ex Machina (1987), Preludium (1988) en De Gids (1990), en in De Ware Tijd Literair.

 

In zijn poëzie schreef Surianto over alles wat het leven van de Surinaams Javanen aangaat, om te beginnen de historische wortels in Indonesië en het bestaan als contractmigrant in Suriname. Met zijn poëzie wilde Surianto zich teweerstellen tegen de teloorgang van de Javaanse cultuur in Suriname. Zijn debuutbundel Aruming melathi (De geur van melatie) (1986) was de eerste Surinaamse bundel met niet-orale poëzie in het Javaans, voorzien van Nederlandse vertalingen van de hand van de dichter zelf, naast veertien geheel Nederlandstalige gedichten.

 

De taal die Surianto hanteert is een vermenging van Surinaams-Javaans met het Javaans dat gesproken wordt in Midden- en Oost-Java. In zijn eerste bundel betoonde hij zich sterk schatplichtig aan Shrinivási. Zijn tweede bundel, Tetesing bun adi (Edele dauwdruppels), verscheen bij het eeuwfeest van de Javaanse immigratie in 1990. Zijn derde bundel, Reruntungan/Hand in hand, bevatte slechts negen gedichten en werd door het Erasmus Taalcentrum in Jakarta uitgebracht als eindejaarsgeschenk 2000/2001. Zijn vierde bundel Wis mbalik ombak (Het roer omgegooid) (2002) was veel sterker dan voorheen politiek gekleurd, met strijdgedichten; hij was opgedragen aan Paul Somohardjo, politiek leider van de partij Pertjaja Luhur. In 2002 bracht Surianto een cd uit met zijn gedichten onder de titel Sabar/Geduld.

Hij overleed na een ziekte op 17 maart 2006.

 

 

 

  Cheryll van Leewaarde

Op zoek naar Boni

 

Op zoek naar Boni

In de Suriname was ten tijde van de slavernij Boni onbetwist de grootste verzetsstrijder. Anders dan bij tijdgenoot Tula op Curacao is van de invloed van Boni in het hedendaagse Suriname weinig zichtbaar. De tijd lijkt rijp om daar nu definitief verandering in te brengen, vandaar staat onderstaand het een en ander over hem vermeld.

 

Tijdsbeeld

Na de “ontdekking” van Suriname door de Spanjaard Alonso de Ojedo werd het land al snel overgenomen van de lokale indiaanse/inheemse bevolking. Nadat de Engelsen rond 1650 de macht kregen werd er het slavernij-systeem ingevoerd, en tot-slaaf-gemaakten- geïmporteerd uit Afrika. In 1667 namen de Zeeuwen (oftewel de Nederlanders) de macht over. Uit Europa vestigden zich o.a. (Joodse) Portugezen, Hugenoten (uit Frankrijk) en Hernhutters (Duitsland). Het verzet tegen de slavernij raakte in de loop der jaren georganiseerd door de ‘weglopers’oftewel Marrons.
Suriname2016 115

portret Marronstrijder Fort Zeelandia

 

Asikan Sylvester

Asikan Sylvester was een van de Marron-aanvoerders en de voorganger van Boni. In 1712 ontstond in Suriname verwarring op plantages door de komst van de Franse plunderaar Jacques Cassard. In deze verwarring zagen direct uit Afrika op de plantage tewerkgestelde slaafgemaakten kans om te ontsnappen. Asikan Sylvester was een van hen. Hij vormde een groep met een sterke structuur en zag kans om met hen uit de handen van premiejagers te blijven. Meer dan vijftig jaar had hij de leiding over de groep. In 1765 droeg hij die over aan Boni. In 1769 werd Asikan Sylvester in doodzieke toestand bij toeval aangetroffen door een patrouille. Ze brachten hem als gevangene naar Fort Zeelandia waar hij aan zijn ziekte bezweek. Postuum kreeg hij alsnog de toen gebruikelijke straf voor een gevangen Marron: hij werd onthoofd, en zijn hoofd werd op een paal gespiesd.

 

Boni

Boni (ca. 1730 geb.- 19 februari 1793), was guerrillaleider in Suriname. Zijn vader zou een Nederlander zijn geweest die zijn moeder, een slavin, als minnares had en daarna verstootte. Zwanger vluchtte zij het bos in, naar de Marrons. Daar, bij de Cottica-Marrons, werd Boni geboren. In 1765 volgde hij Asikan Sylvester op als leider van de groep die bekend zou worden onder zijn naam: ‘Boni’s’ (later Aloekoe resp. Aluku). Hij trainde zijn mensen tot geduchte vijanden van de kolonisten.
Boni Ken Doorson

Portret van Boni door Ken Doorson

 

Baron Boni en Joli-Coeur

Boni wordt meestal in één adem genoemd met Baron en Joli-Coeur, doordat John Gabriël Stedman hen in zijn boek Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana met elkaar in verband bracht. Ieder van hen had echter een eigen achtergrond en inbreng. Talrijke aanvallen voerden ze uit op plantages in het oosten van Suriname, vooral in het gebied van de rivier de Cottica. Veel slaven sloten zich bij hen aan. Ook namen zij slavinnen mee om zich van vrouwen te voorzien. Voor de planters betekende de marronage een aanzienlijk kapitaalverlies.

 

Boni en zijn krijgers opereerden vanuit een groot fort met een vier meter hoge muur in een moerasachtige omgeving in de kuststreek van Commewijne, Fort Buku. Met deze naam wilden zij aangeven dat ze liever tot stof zouden vergaan dan zich overgeven. Het fort was omringd door een moeras en voorzien van geweren en een kanon.

 

Door de overvallen en plundertochten die vanuit Buku werden ondernomen en de geldverslindende strafexpedities die daarop volgden, werd de vesting een grote bron van zorg voor de machthebbers. De slaven daarentegen putten er hoop uit. Door de ligging van het fort, te midden van verraderlijke moerassen, was het nagenoeg onvindbaar en onbereikbaar voor de Nederlandse huursoldaten.
Verdedigingswerken

Tegen invallen vanuit zee en vanuit de Boni’s werden er in het district Commewijne verschillende verdedigingswerken in het leven geroepen. Oorspronkelijk was er in 1686 Fort Sommelsdijk, vernoemd naar de eerste Nederlandse gouverneur, gelegen op het punt waar de rivieren Commewijne en Cottica samenvloeien. Het had tot doel het achterland te beveiligen tegen invallen. Het was overbodig geworden na het gereed komen, in 1747, van Fort Nieuw-Amsterdam aan de monding van de Commewijne. Later volgde specifiek tegen de Boni’s het Cordonpad, dat doorliep tot Jodensavanne.

 

Stedman

De Boni-oorlogen

Diverse malen vielen onder andere kolonel Louis Henri Fourgeoud uit Genève en later Stoelman dit fort aan, zonder succes. In de gelederen van Fourgeod en Stoelman vocht ook John Gabriël Stedman, die zijn ervaringen vastlegde in een boek met tot de verbeelding sprekende tekeningen. Stedman beschrijft onder andere hoe kleine groepjes van vier à vijf man, door zich steeds snel te verplaatsen en te schieten, de vijand de indruk geven tegenover een zeer grote groep te staan.

 

Dergelijke guerrillatactieken stelden Boni in staat de vijand steeds weer in verwarring te brengen en te verslaan.Uiteindelijk beloofden de Nederlanders 300 slaven de vrijheid als ze meevochten tegen Boni en Baron. Deze vormden het legerkorps De Zwarte Jagers, ook wel Redi Moesoe (resp. Redi musu) genoemd, naar de rode mutsen die ze droegen als onderdeel van hun uniform. De term Redi Musu staat in Suriname nog altijd gelijk aan verrader.

Na een belegering van zeven maanden werd in 1772 het geheime pad, dat net onder water lag en toegang gaf tot het fort, verraden. Terwijl kapitein Maryland een schijnaanval deed, vielen de vrijgekochte vrijwilligers het fort aan over het geheime pad. Het fort werd vernietigd, maar Boni ontsnapte naar het oosten en trok over de Marowijne, de grensrivier met Frans-Guyana.

 

Hij verlegde zijn hoofdkwartier naar o.a. fort Aloekoe (resp. Aluku). In 1777 kwam Pierre-Victor Malouet langs om de kwestie van de 200 gevluchte Marrons te bespreken. Volgens hem waren er 3.000 marrons; 150 waren onderweg en hielden zich op in de bossen.
Suriname2016 203

 

Portret Redi Musu Fort Nieuw Amsterdam

 

Boni’s dood en legendes daaromtrent

Nog 20 jaar lang ging Boni door met zijn strijd tegen de overheersers. Uiteindelijk werd hij door verraad op 19 februari 1793 gedood door Bambi, een Aukaans opperhoofd, onder grote druk van luitenant Stoelman, commandant van de Redi Musu. Boni’s dood is omgeven door diverse legendes.

 

Zo zou zijn bescherming (op zijn Surinaams Tapu) zijn doorbroken door toedoen van een vrouw, en is na zijn dood zijn hoofd verloren gegaan in de rivier. Het zou zelf zijn ‘gesprongen’, en op de desbetreffende plek op de rivier genoemd “Boni-doro sula” mag zijn naam niet worden genoemd.

 

Eddy Bruma en Boni

Als politiek activist werd Eddy Bruma in WO II, net als Wim Bosch Verschuur en Otto Huiswoud, door toenmalig gouverneur Kielstra opgesloten. Bruma ontwikkelde zich als spindokter voor de onafhankelijkheid van Suriname met zijn beweging Wie Eegie Sanie. Deze beweging stelde de Surinaamse taal en cultuur centraal. Niet geheel toevallig was een belangrijke activiteit het opvoeren van het toneelstuk ‘De geboorte van Boni’ ; eerst in 1952 in Nederland, en in 1957 in Suriname in het Sranan/Surinaams. Door John Jansen van Galen werd in zijn boek Hetenachtsdroom gezocht naar Bruma, en zijn rol ten tijde van de Onafhankelijkheid. In het jaar 2000 kwam Eddy Bruma wreed om het leven bij een overval/aanval. Nog altijd is niet duidelijk welke achtergrond de aanval had, ging het om geld, zijn werk als jurist, of speelde er persoonlijke of politieke motieven een rol…

 

 

Boni’s plaats in het Suriname van vandaag

Er zijn over Boni en de Boni-oorlogen diverse boeken verschenen, en zijn naam is op diverse plaatsen terug horen, zoals bijvoorbeeld de Bonistraat en reisorganisatie Boni Tours. Ook is er een Suripop-lied aan hem gewijd. In 2015 is door toedoen van de herontdekker van Fort Boekoe het iniatief “In de voetsporen van Boni” ontstaan. Hierin is een centrale rol weggelegd voor het dorp Pikin Santi.

Ook de Feydrasi Fu Afrikan Srananman -vereniging van Afro-Surinamers- maakt zich hard voor meer aandacht voor Boni, door het jaarlijks organiseren van een Puwema Neti (Poëzie-avond) op de herdenkingsdag van Boni en het idee van het creëren van een standbeeld.

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

Effendi Ketwaru

 

Effendi Rawi Kamaludin Ketwaru (28 november 1933 – 22 maart 2005) was een Surinaams muziekpedagoog, mandolinist en sitarist. Ketwaru was de grondlegger van het muziekonderwijs in Suriname.

 

Effendi Rawi Kamaludin Ketwaru werd op 28 november 1933 te Visserszorg (Commewijne, Suriname) geboren. Zijn vader bespeelde de banjo, mandoline en sitar. Ketwaru begon zijn loopbaan op 14-jarige leeftijd als mandolinist in het orkest Kala Kausar Sabha en vervolgens in zijn eigen orkest Sha Noor Sabha. In 1949 begon hij Europese klassieke muziek op de radio te bespreken en hij breidde de besprekingen later uit met muziek- en toneelrecensies.

 

In 1956 startte Ketwaru als muziekleerkracht, een loopbaan die uiteindelijk vijftig jaar zou omvatten. In 1964 emigreerde Ketwaru met zijn gezin naar Nederland. Hier rondde hij zijn muziekpedagogiestudie af en werd hij staflid van het Dr. Gehrels Instituut. In dezelfde periode gaf Ketwaru sitarconcerten in Nederland, België, Engeland en Duitsland. Met de violist Evert Derks (ook een zeer gerespecteerd violist die samen met Harry de La Fuente, mijn broer Dennis van Leeuwaarde e.a. de recepties in het Paleis en Hotel Torarica mocht opluisteren o.a. bij het bezoek van toen Koning Juliana en Prins Bernhard) richtte hij in 1972 het Ketwaru-ensemble op.

 

Dit ensemble maakte in 1974 een bijzondere langspeelplaat met arrangementen en improvisaties van Surinaamse volksliedjes in klassieke stijl. Hij was voorzitter van de Bond van Surinaamse Musici en zijn huis in Amsterdam werd een centrum voor Surinaamse kunstenaars en bij gelegenheid ook voor Indiase muzikanten zoals Mohammed Rafi en Vilayat Khan.

 

In 1976 keerde Ketwaru op verzoek van de Surinaamse regering terug om de leiding van de Volksmuziekschool op zich te nemen. Onder zijn 20-jarige directeurschap groeide de school uit tot een van de grootste van de regio met een bestand van 27 docenten en meer dan 400 leerlingen. Ketwaru schreef een Surinaamse muziekmethode (Muziekfundament I en II) dat gebaseerd was op de methode van Willem Gehrels. Hij introduceerde de muziekvormen Kawina, Gamelan en Baithak Gáná en ontwikkelde een muziekleerplan en leergang voor alle instrumenten.

 

Na zijn pensionering in 1996 zette hij zijn muzieklessen thuis voort, richtte hij het gemengd koor Sargam op en verzorgde hij de muziek bij enkele televisiedocumentaires.

 

Ketwaru werd tweemaal onderscheiden door de Surinaamse regering en in 2005 ontving hij de GOPIO Award voor zijn verdiensten voor de gemeenschap. In 2006 en 2007 werden respectievelijk de straat naar de Volksmuziekschool (Effendi Ketwarustraat) evenals de school (Effendi Ketwaru Volksmuziekschool) naar hem vernoemd.

 

Een anekdote over deze respectabele man. Er was ingebroken bij de Volksmuziekschool. De heer Ketwaru was er kapot van. Veel instrumenten waren gestolen. Op een dag kwam er een man bij mij in de zaak, Casa El Sol E.J.N. van Leeuwaarde a/d Zwartenhovenbrugstraat, die een viool wilde verkopen. Ik bekeek het instrument en zag tot mijn verbazing de naam van de eigenaar in staan verwijzend naar de Volksmuziekschool. Ik zei tegen de man dat ik overleg moest plegen met mijn broer. Hij hield de man aan de praat terwijl ik de heer Ketwaru belde om langs te komen en het instrument te bekijken. Ook belde ik de politie. Inderdaad was de viool één van de gestolen instrumenten van de Volksmuziekschool. De man werd door de politie meegenomen en de heer Ketwaru was reuzeblij met de teruggevonden viool.

 

 

  Cheryll van Leewaarde

Aankomst Koningin Juliana

 

Aankomst Koningin Juliana en prins Bernhard in de Calèche voor het gebouw Der Staten in Paramaribo 1955.