Het vredesverdrag tussen Okanisi en het koloniale bestuur. ( 10 oktober 1760 )
Het vredesverdrag tussen de Okanisi (ook wel Aukaners of Ndyuka genoemd) en het koloniale bestuur van de Sociëteit van Suriname kwam op 10 oktober 1760 tot stand.
De belangrijkste redenen voor het sluiten van dit verdrag waren.
Militair onvermogen:
De koloniale overheid slaagde er niet in de groeiende groepen Marrons militair te verslaan. De Marrons voerden succesvolle guerrillaoorlogen en vormden een constante bedreiging voor de veiligheid en winstgevendheid van de plantages.
Financiële lasten: De voortdurende expedities tegen de Marrons waren extreem kostbaar en leverden weinig resultaat op.
Wederzijds belang:
Voor de Okanisi betekende vrede officiële erkenning van hun vrijheid en een einde aan de koloniale klopjachten. Voor het bestuur betekende het stabiliteit, mits de Marrons beloofden nieuwe vluchtelingen voortaan uit te leveren aan de autoriteiten.
Het verdrag werd bezegeld met een plechtige ceremonie waarbij beide partijen een bloedeed zwoeren. Hierbij werd bloed van de onderhandelaars gemengd om de duurzaamheid en heiligheid van de vrede te bevestigen.
De communicatie
De communicatie voor het verdrag verliep via een moeizaam en voorzichtig proces van wederzijds tasten, aangezien er een diep wantrouwen bestond tussen de marrons en de koloniale machthebbers.
De belangrijkste stappen in deze communicatie waren.
Eerste contact via gevangenen: Het contact begon vaak met de uitwisseling van boodschappen via gevangengenomen personen of weggelopen slaafgemaakten die als tussenpersoon fungeerden.
Onderhandelaars te velde
Het koloniale bestuur stuurde specifieke gezanten naar het gebied van de Okanisi (bij de Tempati-kreek en Tapanahony-rivier). Deze onderhandelaars moesten diep het binnenland in reizen om de dorpshoofden te ontmoeten.
Taalbarrière en vertolkers
Omdat de Okanisi-hoofden het Nederlands niet machtig waren, werd er gebruikgemaakt van tolken die de marrontalen (zoals het vroege Ndyuka) en het Nederlands of Zeeuws spraken.
De Bloedeed (Sweri)
Een cruciaal onderdeel van de communicatie was niet-verbaal. De Okanisi vertrouwden een papieren verdrag alleen als dit werd bekrachtigd met een traditionele bloedeed.
Hierbij mengden de witte onderhandelaars en de marronleiders hun bloed met drank (meestal rum of water met aarde) en dronken dit op om de afspraak onverbreekbaar te maken.
Het verdrag werd uiteindelijk getekend door de koloniale afgevaardigden en de Okanisi-leiders, waaronder de bekende leider Araby.
De rol van Da Araby
De rol van Araby en de fysieke details van de onderhandelingen waren cruciaal voor het slagen van dit eerste duurzame vredesverdrag in Suriname.
Araby (ook bekend als Labi of Fabi) was de eerste erkende Granman van de Okanisi. Hij speelde een dubbele rol:
Militair Leider: Hij dwong respect af bij de kolonisten door jarenlang succesvol weerstand te bieden tegen koloniale expedities.
Diplomaat
Araby begreep dat een officieel verdrag de enige manier was om de vrijheid van zijn volk definitief te waarborgen. Hij leidde de onderhandelingen namens de Okanisi en zorgde voor interne eenheid binnen de verschillende ‘lo’ (familiegroepen) om de vrede te accepteren.
Belangrijke Koloniale Onderhandelaars
Aan de zijde van het koloniale bestuur (de Sociëteit van Suriname) waren luitenant Louis Meijer en de afgevaardigden Collerus en Dorig de belangrijkste figuren. Zij moesten het binnenland intrekken, wat in die tijd als een levensgevaarlijke reis werd gezien, om de kampementen van de Marrons te bereiken.
De Locatie:
Het Auka-dorp
Het verdrag werd gesloten in het dorp van de Okanisi aan de Boven-Marowijne, nabij de plantage Auka (waaraan de Aukaners hun koloniale naam danken). De gesprekken vonden plaats in de oerwouden bij de Tapanahony en Tempati-kreek, ver buiten het bereik van de koloniale macht.
De Bezegeling:
Bloed en Scheermessen
Tijdens de ceremonie op 10 oktober 1760 voerde kapitein Kofi de ceremoniële handeling uit:
Met een scheermes werden kleine sneetjes gemaakt in de armen van zowel de witte onderhandelaars als de Okanisi-hoofden.
Het bloed werd opgevangen en vermengd met water of sterke drank, wat vervolgens door de aanwezigen werd gedronken.
Deze ‘Sweri’ (bloedeed) was voor de Okanisi vele malen belangrijker dan de handtekening op papier, omdat een schending ervan volgens hun geloof de dood tot gevolg zou hebben.
Boston Band
Boston Band (vaak Boston genoemd) was een van de belangrijkste onderhandelaars en tolken aan de zijde van de Okanisi.
Zijn specifieke bijdrage was:
Geletterdheid: In tegenstelling tot veel andere Marrons kon Boston lezen en schrijven. Hij was een voormalig slaafgemaakte die deze vaardigheden op de plantages had geleerd, wat hem onmisbaar maakte bij het controleren van de schriftelijke artikelen in het verdrag.
Diplomatieke Brug
Hij fungeerde als de stem van de Marrons tegenover de blanke afgevaardigden. Hij zorgde ervoor dat de mondelinge afspraken en de bloedeed correct werden vertaald naar de officiële documenten van het koloniale bestuur.
Vertrouwen
Hij genoot het volste vertrouwen van Granman Araby, waardoor hij namens de hele groep de lastige gesprekken over zaken als de uitlevering van nieuwe vluchtelingen kon voeren.
Zonder de kritische blik van Boston op de tekst van het verdrag hadden de Marrons de Nederlandse autoriteiten waarschijnlijk nooit voldoende vertrouwd om te tekenen.
Boston Band (ook bekend als Adyáko Benti Basiton) stelde namens de Okanisi zeer concrete en strategische eisen om de duurzaamheid van de vrede te garanderen. Zijn eisen waren gebaseerd op zijn ervaringen in Jamaica en zijn vermogen om de koloniale intenties te doorgronden.
De belangrijkste eisen die hij op tafel legde, waren:
Volledige erkenning van vrijheid: De Marrons moesten officieel als vrije mensen worden erkend door het koloniale bestuur, wat betekende dat zij nooit meer als “weggelopen slaven” vervolgd konden worden.
Territoriale autonomie
De Okanisi eisten het recht om in hun eigen dorpen in het binnenland te wonen en zichzelf te besturen volgens hun eigen wetten en tradities, zonder inmenging van de witte overheid.
Jaarlijkse geschenken (tribuut):
Er moest een systeem komen van regelmatige leveranties van goederen zoals gereedschappen (bijlen, messen), kruit, lood en textiel. Dit was voor de Marrons een vorm van schadeloosstelling en erkenning van hun status.
Handelsrechten
Zij eisten toestemming om legaal handel te drijven met de stad (Paramaribo) en plantages, zodat zij hun eigen producten konden verkopen in ruil voor Europese goederen.
Geen nieuwe uitlevering met terugwerkende kracht
Boston eiste dat alle Marrons die op dat moment al bij de Okanisi woonden, veilig waren. (Hoewel het bestuur in ruil hiervoor eiste dat nieuwe vluchtelingen voortaan wél uitgeleverd moesten worden).
Boston Band was hierbij extra scherp op de schriftelijke formulering; hij wist dat de overheid in het verleden mondelinge beloften vaak niet was nagekomen.
Het koloniale bestuur eisten tegenprestatie
Het koloniale bestuur stemde niet zomaar in met de vrede; zij eisten harde garanties om de plantage-economie te beschermen. De belangrijkste tegenprestaties waren:
Uitlevering van nieuwe vluchtelingen
De pijnlijkste eis was dat de Okanisi beloofden om slaafgemaakten die na het sluiten van het verdrag naar het bos vluchtten, op te pakken en tegen een beloning uit te leveren aan het bestuur.
Hulp bij opstanden
De Marrons moesten militaire bijstand verlenen aan het koloniale leger in het geval van een grote slavenopstand op de plantages.
Geen vestiging nabij plantages
De Okanisi mochten hun dorpen niet te dicht bij de bewoonde wereld bouwen. Er werd een minimale afstand afgesproken om te voorkomen dat zij contact hielden met mensen die nog in slavernij leefden.
Meldingsplicht voor reizen: Als de Okanisi voor handel naar Paramaribo wilden komen, moesten zij zich eerst melden bij een koloniale post en mochten zij slechts met een beperkt aantal personen tegelijk de stad betreden.
Gijzelaars als onderpand:
Om de vrede te garanderen, eiste het bestuur dat de Okanisi een aantal zonen van hun kapiteins naar Paramaribo stuurden. Deze jongeren kregen daar een Nederlandse opvoeding, maar dienden in feite als menselijk onderpand voor het naleven van het verdrag.
Deze voorwaarden zorgden later voor grote morele dilemma’s binnen de marrongemeenschappen, vooral wanneer zij “nieuwe” vluchtelingen moesten terugsturen naar een wreed lot.
In de praktijk was de uitvoering van deze plicht een mijnenveld van strategische ongehoorzaamheid en morele keuzes. De Okanisi hanteerden verschillende tactieken om de koloniale autoriteiten tevreden te houden zonder hun eigen principes volledig te verraden
Selectieve uitlevering:
Ze leverden vaak alleen vluchtelingen uit die voor onrust zorgden binnen hun eigen gemeenschap of die afkomstig waren van stammen waarmee ze op gespannen voet stonden.
Laten ontsnappen
Regelmatig rapporteerden de Okanisi aan het bestuur dat ze vluchtelingen hadden achtervolgd, maar dat deze waren “ontsnapt” in het ondoordringbare oerwoud. In werkelijkheid lieten ze hen vaak dieper het binnenland intrekken.
Opname in de gemeenschap:
Vluchtelingen die over bijzondere vaardigheden beschikten of familiebanden hadden, werden soms stiekem geadopteerd in de stam. Ze kregen dan een nieuwe identiteit binnen een lo (familiegroep), waardoor ze officieel “niet bestonden” voor de koloniale controleurs.
Financiële prikkel
De beloning voor het uitleveren van een vluchteling was hoog. Sommige Marrons gebruikten dit geld om noodzakelijke middelen voor de stam te kopen, wat leidde tot interne spanningen tussen het economisch belang en de solidariteit met lotgenoten.
Bufferzones:
De Okanisi lieten nieuwe groepen vluchtelingen soms toe om in gebieden te gaan wonen die nog verder weg lagen van de plantages. Zo voldeden ze formeel aan de eis dat er geen nieuwe vluchtelingen in hun dorpen waren, terwijl ze de vluchtelingen feitelijk beschermden.
Deze dubbelrol was riskant; als het koloniale bestuur ontdekte dat de Marrons vluchtelingen verborgen hielden, konden de jaarlijkse leveranties van goederen worden stopgezet.
De conflicten tussen de Okanisi en de Saramaccaners (Saamaka) na de vredesverdragen (1760 en 1762) waren vaak het resultaat van de koloniale “verdeel en heers”-politiek.
De belangrijkste strijdpunten waren:
De “Grens” van het Jachtgebied
Het koloniale bestuur wees specifieke gebieden toe aan elke stam voor de jacht op nieuwe vluchtelingen. Wanneer de Okanisi vluchtelingen achtervolgden in territorium dat de Saramaccaners als het hunne beschouwden, leidde dit tot gewapende confrontaties over wie recht had op de uitleveringspremie.
Beschuldigingen van Verraad
Omdat de Okanisi als eersten vrede sloten, werden zij door groepen die nog in oorlog waren (waaronder delen van de Saramaccaners) soms gezien als verraders of “handlangers van de blanken”. Dit wantrouwen zorgde voor diepe scheuren in de marronsolidariteit.
Opvang van Elkaars Vluchtelingen
Er ontstonden spanningen wanneer een Marron uit de ene stam vluchtte vanwege een intern conflict of misdrijf en asiel zocht bij de andere stam. Volgens de verdragen moesten ze elkaar helpen, maar in de praktijk leidde het weigeren van uitlevering tussen de stammen tot diplomatische crises.
Concurrentie om de “Gifts”:
Het koloniale bestuur gaf de ene stam soms meer of betere goederen (kruit, textiel, geweren) dan de andere. Dit werd door de kolonisten bewust gedaan om jaloezie en onderlinge strijd uit te lokken, zodat de marrons nooit één verenigd front tegen de plantages zouden vormen.
Een dieptepunt was de rol van de Marrons bij het neerslaan van de Boni-oorlogen. De koloniale overheid zette de Okanisi onder druk om tegen de Boni-marrons te vechten, wat leidde tot een bloedige broederoorlog die tot de dag van vandaag in de orale tradities voortleeft.

