Onoribo

Onoribo
Voordat Biliton zich te Para vestigde op plantage Onoribo was deze plantage in beheer van P.J. Redmond, de vader van dokteres Sophie Redmond. De wijze waarop de ingebruikname voor de bauxietwinning werd geforceerd levert tot op de dag van vandaag vragen op.

Plantage Onoribo was al in de Engelse tijd in gebruik, en maakte rond 1678 deel uit van het gebied waar de inheemse strijd tegen de kolonisten werd gevoerd. Rond 1700 vestigde zich er de Hugenoot de la Lieu er een suikerplantage, die nadien door zijn nabestaanden als houtgrond werd gebruikt. Nadien kwam de plantage in handen van de familie Nobel.
Ten tijde van de emancipatie werd er in 1863 een aantal familienamen toegekend, waaronder Ommen, Akkrum, Amelo, Raalte en Rijssen. Van deze families zouden onder aanvoering van de familie Ommen een aantal geëmancipeerden rond 1901 het bezit van de voormalige plantage verkrijgen.

Zoals vermeld kreeg Philippus Josef Redmond (1886-1956), onderwijzer van beroep, het beheer van Onoribo. Zijn moeder was afkomstig van Barbados en hij zou in Suriname trouwen Adolfina Magdalena Herkul (1887-1938) met wie hij o.a. dochter Sophie kreeg. In 1936 zou Redmond er voor zorgen dat Onoribo in navolging van Republiek in samenwerking met districtscommissaris Wong werd omgezet tot een badplaats, inclusief vakantiehuisjes met daarbij de badplaats op “De Vrijheid” aan de Kraskreek.

Redmond zou in 1939 zijn rol als vertegenwoordiger van Onoribo loslaten nadat de Biliton zich had gevestigd bij het dorp Onverdacht, dat hierna ook bekend stond als Billiton-dorp en in het gebied de bauxietwinning ter hand nam. Tijdens de oorlog was hierbij vanaf 1941 de verdeling in Suriname zo dat de Nederlanders zorgden voor het mijnen en de Amerikanen voor de verwerking. Billiton had in die tijd bijna 800 lokale medewerkers in dienst. Vanwege het belang van de bauxietindustrie voor de geallieerden werd Onoribo in 1942 voor defensie-doeleinden ingenomen.

Redmond zou zich tijdens en na de oorlog wederom ontfermen over de belangen van de eigenaren van Onoribo. Hierbij zou hij zich hard maken voor het vestigen van een lokale school voor de kinderen in het gebied. In 1948 kwam hij in het geweer tegen de BMS (Biliton Maatschappij Suriname) omdat er zonder overleg met de eigenaren door hen een brugverbinding in het gebied werd aangelegd.

Als het in 1959 komt tot een onteigeningsontwerp voor Onoribo laat statenlid Pierau fijntjes weten dat de in 1915 afgegeven rechten op bauxietwinning in het gebied op slinkse wijze van de eigenaren van Onoribo waren verkregen.

 

 

blank

Vermoedelijk politie posthuis op plantage Onoribo rond 1910

 

 

 

 

blank

plantage Onoribo rond 1900

blank

Gouverneur Titus van Asch van Wijck met zijn vrouw en een gevolg in het dorp Onoribo. Vrouwen uit het dorp hebben met hun hoofddoeken een pad op de grond gelegd.

 

Fosten Tori, Geschiedenis, verleden, fosten, oorsprong, gron, roots, rutu, gron, reis

Auteur: Nico Eigenhuis blank

 

Opgetekend in het verleden

Houtgrond Onoribo aan de Parakreek

Volksnaam “Dam” = Danens (?)
Parakreek, rechteroever in het afvaren
Volgorde in het afvaren: Osembo, Onoribo, Welbedacht — en — Onverdacht

 

Chronologie

1667 – Denton
1699 – suikerplantage ; Jan Francois de la Lieu (inventaris 1699)
1737 – wed. Dane (kaart Lavaux 1737)
1749 – kinderen van Geertruy de la Lieu en Jan Christoffel Welvaart
1752 – houtgrond ; boedel J.C. Welvaart (2/3) ; Nicolaas de Kruijff (1/3)
1793 – erven C. G. Nobel
1821 – erv. P. C. Nobel (almanak 1821)
1843 – erven P. C. Nobel (almanak 1843)
1863 – emancipatie.

1667 – Denton
In de engelse tijd was de Parakreek druk bewoond. Een kaart uit 1667 die wordt bewaard in de John Carter Brown library te Providence geeft de situstie weer. Ene Denton had toen een plantage op de plaats waar nu Onoribo is.
De landmeter Willem Mogge vervaardigde in 1671 de eerste nederlandse kaart van Suriname. De kaart is betrouwbaar, want Mogge is zelf de rivieren opgegaan om metingen te verrichten. Aan de Para waren er minder plantages dan in de engelse tijd, maar Denton woonde er nog steeds. Hij heeft geen sporen nagelaten in de archieven. Mogge noteerde de plantages met een suikermolen in blokletters ; Denton’s plantage staat genoteerd met een geschreven letter, en bezat dus geen molen. Het was vermoedelijk een kleine tabaksgrond.
15 jaar later — volgens de “labadistenkaart” van 1686 – was de gehele Para ontvolkt. Inderdaad heeft de grote indiaanse opstand die in 1678 begon, grote schade toegebracht aan de plantages langs de Para. Zij werden grotendeels verlaten. Ook Denton is vertrokken, en zijn plantage werd door het bos overwoekerd.

detail van de kaart van Mogge, 1671 Denton woonde ter plaatse van Onoribo, of mogelijk op de stroomafwaartse buurplantage Onverdacht..(noord = beneden)

1699 – suikerplantage ; Jan Francois de la Lieu (inventaris 1699)
Jean Francois de la Lieu uit Namen is waarschijnlijk de aanlegger van de plantage. In 1693 trouwde hij met Neeltje le Chey (of le Rinte, of le Quint) :

“… 1693 den 11 januari ondertrout Jan Francois de la Lieu J:M: geboortig van Namen, met Neeltje Leckey wed: van Jan Abramz Dranckier van Leijden, getuijgen ….. Everhard, den 25 januari getrout …”
(trouwregister ger. Kerk)

Het is niet bekend of uit dit huwelijk kinderen zijn geboren. In de doopregisters is daarvan althans geen spoor. In 1699 overleed Neeltje, en in verband met de erfenis werd een boedelbeschrijving opgesteld. Jean en Neeltje waren eigenaar van een huis in de Herenstraat, de plantage Onoribo, en diverse goederen.
Onoribo werd in de inventaris gedetailleerd omschreven ; de plantage was pas opgestart. Zij was 1000 akkers groot, maar slechts een klein gedeelte was in cultuur gebracht. Er waren kostgronden en 24 akkers met suikerriet 1e crop. Er werkten 22 slaven. Er waren twee huizen gebouwd “met tas gedekt”, en het hout voor de suikermolen lag gereed voor de bouw.

Jean Francois de la Lieu hertrouwde in 1700 met Sara Jacoba Bogaard. Uit de doopregisters zijn drie kinderen bekend, alledrie op Onoribo geboren :
Francina (1701-1773) gehuwd 1725 met Dirk de Swier ; daarna gehuwd met Harmanus Groenemey
Geertruy (1703) gehuwd met Jan Christoffel Welvaart.
Johannes (1708-1734) gehuwd 1728 met Johanna Maria Cellerier
en dan is er nog Johanna ; zij staat niet vermeld in de doopregisters, maar is wel degelijk een dochter van Jean Francois en Sara Maria. Zij huwde in 1727 met Adolph Reyntjes en in 1729 met Frederick Kraayvanger.

Op een gegeven moment, wanneer precies is niet bekend, is Jean Francois overleden. Sara Jacoba hertrouwde met Gilles Daanens. Uit dit huwelijk werden 4 kinderen geboren :
De tweeling Francois en Guillaume (1715)
Andries (1718)
Maria (1721)

Onoribo op een anonieme kaart van de Para, augustus 1708. De plantage wordt aangeduid met de naam van de eigenaar : “Jan Francois Lalieu”. (noord = beneden)

1737 – wed. Dane (kaart Lavaux 1737)
De “weduwe Dane” is natuurlijk Sara Jacoba Boogaard, weduwe van Gillis Daenens, en daarvóór weduwe van Jean Francois de la Lieu.
De plantage was inmiddels 2710 akkers groot, en was dus sterk uitgebreid ten opzichte van 1699. In grondoppervlak tenminste. Later zal blijken dat de plantage feitelijk niet erg groot was. Mevr. Daenens was tevens eigenaresse van een grond van 1000 akkers aan de bovenloop van de Cottica. Waarschijnlijk was die grond allang verlaten ; na 1690 werden de vergelegen plantages geleidelijk verlaten, en werden de gemakkelijker bereikbare gronden aan de benedenloop van de rivieren ontgonnen.
In 1749 overleed Sara ; de erfenis ging naar haar kinderen en kleinkinderen uit haar eerste huwelijk; dit waren :
Hermanus en Hendr: Groenemeij
minderjarige kinderen Kraijvanger (zie ook: plantage Twijfelachtig)
kind J: C: Welvaart en
kinderen Jean Lalieu
Zij waren ieder voor 1/5 portie eigenaar van plantage. Ten behoeve van de boedeldeling werd een inventaris van de plantage opgesteld. Onoribo was een kleine suikerplantage met 82 slaven. Het riet werd geperst met een beestenmolen. De taxatie bedroeg F 82.189,60

1749 – kinderen van Geertruy de la Lieu en Jan Christoffel Welvaart
Het bezit van Onoribo loopt verder via Geertruy de la Lieu, gehuwd met Jan Christoffel Welvaart. Geertruy overleed vóór haar moeder Sara Bogaard ; haar kinderen erfden het 1/5 aandeel in de plantage. Die waren nog minderjarig. Hun vader heeft daarna de aandelen van de overige erfgenamen gekocht, want die komen verder niet meer voor in de geschiedenis van Onoribo.

Uit het huwelijk van Gertruij met Jan Christoffer zijn twee kinderen bekend, Johanna Jacoba en Johannes Jacobus Welvaart. (ARA NOT inv. No. 690 f. 280).

Jan Christoffel Welvaart was eigenaar van de koffieplantage Halle in Saxen aan de Wayamoekreek. Deze had hij genoemd naar zijn geboorteplaats in Duitsland.

In 1747 was Gertruy reeds overleden. Jan hertrouwde met Jacoba van Harlingen :

“… 1747 op heeden den 14 julij sijn ten overstaan van de Ed: Agtb: heeren Dirk Guldensteeden raad in den Ed: Hove van Politie en Crimineele Justitie door mij secretaris deeser colonie na behoorlijke ondevraagingh tot den huwelijken staat in en aangeteekent, Jan Christoffel Welvaart weeduwenaar van de Augburgsche confessie geboortigh uijt Hal in Saxen woonachtig aan Perica
en Jacoba van Harlingen wed: van Adriaan Rupsina Johannes Zoon van de gereformeerde religie geboortigh van Paramaribo aldaar woonagtig geadsisteerd met haar broeder den Ed: Agtb: heer Anthonij Jacobus van Harlingen en zijn Ed: huijsvrouw mevrouw Johanna Dieulefit.
Actum Paramaribo dato utsupra. Dirk Guldensteeden / my praesent E: Comans Scherpingh 1747…”

De doopregisters uit die tijd ontbreken, en de kinderen uit het huwelijk zijn daarom moeilijk na te gaan.

Jan’s overlijden staat niet vermeld in de kerkeboeken ; hij is vermoedelijk in 1751 gestorven, want in dat jaar werd zijn plantages Ornamibo en Halle in Saxen ten behoeve van de erfenis geinventariseerd. Jacoba van Harlingen overleed in 1763 en werd op Onoribo begraven :

“…1763-januari 24 Debet Boedel Jacoba van Harlingen — A doogravers Emolum: voor ’t bekentmaken van zijn dood f 9,- / A kerkegeregtigh: voor ’t begraven van haar zelfs op de plantagie Onoribo in Para door N: ….. f 29,- …”

1752 – houtgrond ; boedel J.C. Welvaart (2/3) ; Nicolaas de Kruijff (1/3)
In 1757 huwde Nicolaas de Kruijff met Johanna Jacoba Welvaart, dochter van wijlen J.C. Welvaart. Via zijn huwelijk werd De Kruijff voor 1/3 mede-eigenaar.

“… 1757 op heden den 10 junij zijn ten overstaan van de Ed: Achtb: heeren Willem Hendrik van Steenberch en Johan Godlieb Felbinger raden in den Ed: Hove van Politie & Crimineele Justitie deser colonie Suriname & & na behoorlijke gedane afvraginge door mij ondergeschreevene eerste geswoore clercq der voorsz: colonie tot den huwelijken staat in en aangeteekend Nicolaas de Kruijff jongman oud 27 jaaren en eenige maanden van de Roomse religie geboortig te Cuijlenburgh en woonagtig alhier aan Paramaribo geadsisteerd met Johanna Jacoba van Harlingen weduwe Welvaart
en Johanna Jacoba Welvaart weduwe Martinus de Bruijn van de gereformeerde religie geboortig in Para en woonagtig alhier aan Paramaribo geadsisteerd met den Ed: Achtb: heer Jacobus van Daalen…”

De doopregisters 1730 – 1770 zijn verloren gegaan, en van kinderen uit het huwelijk is niets bekend. Het huwelijk heeft 22 jaar geduurd. Het echtpaar woonde afwisselend op Onoribo en in hun huis aan de Gravenstraat, vier huizen westelijk van de plaats waar nu de DSB-bank staat. (huurwaardelijst 1772).
Nicolaas de Kruijff overleed in 1779 en werd begraven in de Nieuwe Oranje tuin te Paramaribo. :

“… 1779-september 10 Debet Boedel Nicolaas de Kruijff — Aan kerkegeregtigheid voor ’t begraven van hem zelfs in de N: O: T: door desselfs weeduwe f 41,15 …”

In 1782 werd er een grafzerk op het graf geplaatst. Die is thans niet meer in de begraafplaats aanwezig.

Onoribo was vanaf 1752 omgezet in een houtgrond. Daar is een eigenaardig verhaal aan verbonden, dat te lezen is in een warrand van 1761. Het verhaal is als volgt :
De oude suikerplantage leverde allang geen winst meer op. Welvaart was in 1751 overleden, en de beheerders van de boedel wilden de zaak sluiten en “enige slaven” (het zal wel de hele actieve slavenmacht zijn geweest) overbrengen naar de koffieplantage Halle in Saxen aan de Wayamoekreek. Maar de slaven, geboren en getogen in Onoribo, keerden na verloop van tijd zelfstandig naar Onoribo terug. Bidden en smeken hielp niet, zij bleven op Onoribo. Uit arren moede besloten de beheerders om Onoribo dan maar in bedrijf te laten, maar niet meer als suikergrond. Men begon met houtexploitatie.
In 1761 was de boedel J.C. Welvaart voor 2/3 eigenaar van de plantage. De boedel werd geadministreerd door Nicolaas de Kruijff , die bovendien zelf voor 1/3 mede-eigenaar was; In feite bestuurde hij dus de gehele plantage. In 1761 deed hij het verzoek om een extra areaal van 1000 akkers voor houtexploitatie, hetgeen hem werd toegestaan.

In october 1770 maakte gouverneur Nepveu een rondreis door Para, en deed daarbij ook Onoribo aan, waar hij overnachtte :
“… Saturdag den 20 October 1770
Om 5 uuren is Zijn WelEdele Gestrenge van gemelde plantage Overtoom na de plantage Onoribo van N. De Kruijff vertrokken, om aldaar nagtrust te houden.
Sondag den 21 October 1770
’s Morgens om 9 uuren is Zijn WelEdele Gestrenge van de plantage Onoribo, na bezigtiging van eenige begonne Cacao planterij, vertrokken, om zig aan Paramaribo te begeeven …”

1793 – erven C. G. Nobel
Onoribo was een houtgrond. De directeur was Gerrit Haydts. De administratie was in handen van J. F. Andree en Zoon.
De erfgenamen van Constantijn Gerhard Nobel waren eigenaar van de houtgrond Onoribo, de koffieplantages Courtvlugt en Cuylenburg aan de Cottica, en deeleigenaar van de grote suikerplantage Zoelen aan de Surinamerivier. Een ander familielid, Pieter Constantijn Nobel (1748-1788), was eigenaar van het plantagecomplex Rust en Werk / Lust tot Rust / Einde Rust, aan de beneden-Commewijne. Mogelijk waren Constantijn en Pieter broers van elkaar.
Al hun plantages werden beheerd door de grote administrateur J. F. Andree, die het bewind voerde over 35 plantages. Andree nam zijn werk serieus ; zo voorzag hij “dat door een aanhoudende bewerking de landen uijtmakende de plantage Onoribo allenijskens van houtwaaren wierden ontbloot”, en vroeg in 1794 tijdig nieuwe grond aan. Overigens was houtgrond Onoribo de kleinste en minst productieve plantage van de groep, maar werd vermoedelijk aangehouden om de houtbehoefte van de overige plantages te dekken.

Op de plantage werd bouwhout geproduceerd, in de voor die tijd gebruikelijke afmetingen “alle soorten van timmerhout : vierkant hout, planken, cingles, sparren & palisaden”.
Transport was bij het werk de bepalende factor. Het hout werd over het algemeen met handkracht uitgesleept. Hoe verder van de kreek, des te duurder het uitslepen van het hout. Slavenarbeid is zeker niet gratis, de indirecte kosten telden wel degelijk door.
Het bewerken van het hout geschiedde bij de boom, zodat er minder transport nodig was. De keuze van de bomen was afgestemd op de verwerkingsmethode. Grote hardhoutbomen waren niet erg interessant, veel te zwaar om te bewerken. Liever zocht men wat kleinere maten, die gemakkelijker op een zaagbok te plaatsen waren, of werden gekwijld. Zachthout zoals wana was gemakkelijker te bewerken, grote maten waren daar geen probleem.
De houtplantages hadden geduchte concurrentie van de bosnegerbevolking, de feitelijke eigenaars van de bovenloop der rivieren. Dezen behoefden zich niet tot één concessie te beperken, en velden uitsluitend hout in de nabijheid der rivier. Daardoor konden zij goedkoper leveren.

houtkap

singelproductie

Omstreeks 1831 bezocht M.D. Teenstra de plantage om gegevens te verzamelen voor zijn boek “de landbouw in de kolonie Suriname”. Op Onoribo woonden en werkten toen 88 slaven. In zijn boek beschrijft hij het werk op de houtgronden :

“….. Nadat men eenen boom met eenen AKSE of bijl heeft doen vellen (dit wordt ook dikwijls door vuur verricht, ten gevolge waarvan men denzelven met wortel en tak uitroeit, en de boom hol zijnde, geheel verbrandt, zoodat men in dat geval genoodzaakt is, eenen anderen te zoeken) – nadat dan een boom op deze of gene wijze gevallen is, wordt hij vierkant gekapt ( de gewone taks is voor éénen Neger vier boomstammen per week), uit welken boom men vervolgens ter zelfde plaats, waar hij gegroeid en gevallen is, planken zaagt.

Men vindt niet zelden boomstammen met 2 en 3 voeten kant, en 25 tot 50 voeten voeten lang, uit welke eene grote hoeveelheid 1 en 1 1/2 duims planken gesneden wordt. De gewone taks is, dat twee Negers 18 planken à 30 voeten lengte (bij anderen 500 voeten) per week zagen moeten. Deze planken worden vervolgens door Negermeiden op hare hoofden (waarop de negers alles dragen, waarmee men het ook belasten mag), met eene ongeloofelijke kracht en moeite, door het dichte bosch huiswaarts getorscht, waarvan de gevallen boom niet zelden meer dan 2 uren verwijderd ligt, doende, niettegenstaande dezen afstand en de moeijelijkheid van den weg, gemeenlijk twee zulke togten op een dag. Thans geeft men voor taks aan de negers op de houtgronden in Boven-Para : 25 tot 35 voeten te kanten voor éénen Neger per dag, zijnde balken van 7 a 8 duim kant, bij welke taksen men natuurlijkerwijze de hardheid van het hout in aanmerking neemt, bijvoorbeeld: Bruin- en Groenhart en dergelijk hout van 8, 9, en 10 duimen kant 25, en minder hard hout tot de lengte van 35 voeten. –
Twee negers moeten per week 240 vierkante voeten planken zagen, breede planken wel eens wat meer ; echter is de gemiddelde taks 12 planken van 20 voeten lang en 12 duimen breed. (Rijnlandse maat) ……..”

houtbewerking op plantage Rust en Werk in 1850 (Huygens)

De houtproducten van de plantages werden vervolgens met ponten of vletboten naar de stad gebracht, en aldaar op de houtmarkt verkocht :

“… M.A. KEIJSER zal Vrijdag op Vendue verkoopen, voor rekening (van) den Houtgrond Onoribo: Een Pontslading Wane en Kopie Planken, en eenige mille Bolletrie Cingels…”. (De Surinaamse Courant 30-02-1833)

1821 – erv. P. C. Nobel (almanak 1821)
De almanakken vanaf 1821 noemen de erfgenamen van Pieter Constantijn Nobel als eigenaar van Onoribo (en niet de erfgenamen van Constantijn Gerard Nobel). Pieter was tevens de eigenaar van Rust en Werk geweest. Toch was Onoribo niet Pieter’s volledig eigendom, want in 1863 ten tijde van de emancipatie blijkt dat Onoribo weliswaar eigendom was van de familie Nobel, maar met een heel andere verdeling als Rust-en-Werk. De erven van Pieter Nobel bezaten dus slechts een aandeel van Onoribo, terwijl Rust-en-Werk hun volledig eigendom was.
De directeur van de plantage was J. H. Franke. De administratie werd gevoerd door J. G. Teltingh.

1843 – erven P. C. Nobel (almanak 1843)
C.F. Pardo was de directeur. De administratie werd gevoerd door J. Zaal en N.J.C. Baars. De plantage was inmiddels 3000 akkers groot. Ook de overige plantages waren nog in het bezit van de familie.

1863 – emancipatie.
In 1863 werden 85 slaven vrijverklaard. Zij ontvingen de bijna allemaal de namen van Nederlandse dorpen als familienaam :
Akkrum ; Amelo ; Balken ; Biervliet ; Bolsward ; Brielle ; Diepe ; Gemert ; Hakbijl ; Joure ; Kuijk ; Ommen ; Raalte ; en Rijssen
De eigenaren waren de erven Nobel. Door steeds verdere ver-erving was dit een groot aantal mensen, die geen van allen in Suriname woonden en er waarschijnlijk ook nooit geweest waren. Voor de slaven van Onoribo ontvingen zij F300,- per slaaf, ofwel F25.500,-. Verder ontvingen zij ook geld voor Rust-en-Werk (F69.300,-), en Lust-tot-Rust en Einde-Rust (F34.200,-). In totaal F129.000,-. De Nederlandse staat bekostigde de uitkering. Het cultuurstelsel in Nederlands-Indie leverde dermate grote winsten op, dat hiermee de plantage-eigenaren in Suriname zonder enige moeite konden worden uitbetaald.
Na de emancipatie werd het bedrijf Rust-en-Werk voortgezet ; maar de houtgrond Onoribo werd afgestoten ; zonder slaven was deze voor de eigenaren waardeloos geworden. Voor een klein bedrag konden de ex-slaven de grond aankopen. Voor hun had deze grond — waar zij geboren en getogen waren — juist veel waarde.

vanaf circa 1870 – familie Ommen

De familie Ommen bestond in 1863 uit 7 familieleden, te weten :
de broers en zusters Salome (1813, slavennaam “Christina”), Joseph (1828, “Louis”), en Petronella (1821, “Clasina”),
en verder de vier kinderen van Petronella : Eduard (1851, “Eduard”), Willem (1854, “Willem”), Jacobus (1858, “Jacobus”), en Agnes (1861 “Agnes”).

Binnen de familie Ommen is het bekend gebleven, dat “7 broers” gezamenlijk de plantages Onoribo en Onverdacht hebben aangekocht. Dat gebeurde niet lang na de afschaffing van de slavernij. Onverdacht bevatte bauxietvoorkomens, en werd in de twintigste eeuw verkocht aan de Billinton maatschappij. Onoribo is nog steeds in het bezit van de familie.

1.1 – Frank Dragtenstein
De ondraaglijke stoutheid der weglopers — uitg. Univ. Utrecht, 2002

top ^
databases op het internet
2.1 – Philip Dikland — oud archief der burgerlijke stand in Suriname

2.2 – Heinrich Helstone, Okko ten Hove e.a. – database emancipatieregisters 1863

top ^
inventarisaties in het nationaal archief te Den Haag :

1699 – ARA NOT 152 folio 055 (nummering ARA 43 (goedereninv.) en 55 (plantage-inventaris)
1749 – ARA NOT inv. No. 690 folio 728
1751 – ARA NOT inv. No. 691 folio 265

1699 – ARA NOT 152 folio 055 (nummering ARA 43 (goedereninv.) en 55 (plantage-inventaris)
locatie : in de Para creecq
Datum : 1699
Gegevens : generale grond groot 1000 akkers
het lijkt erop dat de plantage net nieuw is. Er zijn alleen kostgronden en slechts 24 akkers riet 1e crop.

gebouwen:
2 huizen met tas gedekt
Alle hout voor een molen met kookhuis

vaartuigen:
een “”priage””(=piakka) en een “”corriare”” (=korjaal)

vee:
8 koeien en 4 stieren

slaven:
“op de huijsplantage” : 5 mannen en 4 vrouwen; 2 van de 9 slaven zijn weggelopen
“op de plantage alhier in Para”: 12 mannen en 10 vrouwen

geen prisatie

De plantage-inventaris begint op p. 55 ; deze vormt onderdeel van een groter geheel beginnend op p. 43, bestaande uit:

woonhuis in de Herenstraat, met kookroom en klein pakhuis, strekkende van de straat tot agteren aan de afpaling van Jan Pieters van Elteren.
diverse roerende goederen & obligatieen
plantage Onoribo
p.58 t/m 66 zijn aangetast door houtworm en verboden te raadplegen
p. 77 tot het einde van het register eveneens

eigenaar : boedel van opgemelde Jan Francois de la Lieu, weduwnaer van Neeltje le Rinte”.
Gebeurtenis : Inventaris opgemaakt ivm. Het overlijden van Neeltje le Rinte

1749 – ARA NOT inv. No. 690 folio 728
Locatie : Para aan de rechterhand tussen de plantage Onverdagt en de plantage Osembo
Datum : 1749-03-24/25/26 ; 1749-04-08 ; ampliatie 1749-06-01 ; 1749-07-04
gegevens : 2710 akkers, 82 slaven, suiker, kostgrond, molen, paarden, hoornbeesten, schapen, geiten, taxatie: Nf 82.189,60
ampliatie btr: 5 slaven en juwelen, taxatie: Nf 1.218,12
verzoekers : Hermanus en Hendr: Groenemij als erfgenamen, en J: G: Greeber en Jan Vereul als executeurs der nalatenschap van wijlen wed: Fred: Kraijvanger ; en voogden over de minderjarige kinderen
J: G: Greeber is mede voogd over het kind van J: C: Welvaart en de kinderen van Jean de Lalieu
Eigenaren : H: en Hendr: Groenemeij, minderjarige kinderen Kraijvanger, kind J: C: Welvaart en kinderen Jean Lalieu, ieder voor 1/5 portie eigenaar van plantage
Directeur : Mighel Fischer
Gebeurtenis : erflater: Sara Jacoba Bogaerd, laatst wed: van Gilles Daanens

1751 – ARA NOT inv. No. 691 folio 265
Locatie : Parakreek aan de rechterhand tussen de bovenlijn van Pierre Lacheau en de benedenlijn van de plantage Ossenbo
Datum : 1751-11-04/05 ; 1751-11-11
gegevens : 2710 akkers, 83 slaven, koffie, suiker, kostgronden, weide, begraafplaats, beestenmolen, paarden, hoornbeesten, schapen, geiten, varkens
verzoekers : Jan Hendr: Muller en Isack Stolkert, aangestelde voogden over minderjarige kinderen minderjarige erven van wijlen Jan Christoffel Welvaert
directeur : Jan Holst

archief dienst der domeinen te Paramaribo

1761 – resolutie
1794 – resolutie uitbreiding Onoribo

1761 – resolutie
Alzoo N: de Kruijff in qualiteit als bij den Edele Hove van Politie aangestelde beheerder en administrateur der effecten van wijlen J: C: Welvaart voor twee derden, en nog voor sig self voor een derde eijgenaar van deselve, aan ons bij requeste heeft te kennen gegeeven, dat sig onder de voorsz: effecten hem prive en qq toekomende was bevindende seker plantage genaamt Onoribo gelegen in Para en welke voor dese tot suijker gecultiveert wierde ; dat egter na verloop van sekere tijd des suppliant predecesseuren ontwaar werdende de voorsettinge van dien geen voordeel aan hun was toebrengende om reeden de ongelegenheid en onvruchtbaarheid dier gronden, so hadden deselve sig geaddresseert aan den Edele Hove van Politie bij requeste en voorsz: motives gedemonstreert, alsmeede versogt admissie om eenige slaven te mogen transporteeren van Onoribo op de plantagie Hall in Saxen meede den suppliant qq en privé toebehoorende ; hetwelk ook bij appointement de dato 19 december 1752 gratieuselijk door voorsz: hove was toegestaan en vervolgens ook ter uijtvoer gebragt met eenige slaven van Onoribo op de plantagie Hall en Saxen te verplaatsen ; doordat de voorn: slaaven hadden kunnen goedvinden eijgener authoriteijt te retourneeren en sig werderom te begeeven naar haar oude woonplaats op de plantagie Onoribo en mitsdien was genecessiteert geweest omme sig aan ’t hout maken te begeeven en t’selve tot heeden toe te cultiveeren ’t welke den suppliant qq en privé gaarne verder soude willen voortsetten ; so bijaldien bij meerder land hadde gemerkt het hout reets hand over hand kwam te verminderen en geen occasie hadde van verder daarmede voort te gaan, het welk seer hard soude sijn hierin te mooeten blijven steeken, waarom hij sig was keerende tot ons, oodmoedig versoekende, dat aan hem so qq als privé een duijsend akkers land geleegen ter neder sijde van de Pararac kreek aan de boven lijn van ’t land van Joseph de La Chau mogte werden vergunt en geconcedeert.
So is ’t dat wij ’t voorsz: overgemerkt en het geposseerde conform de waarheid bevonden hebbende, mitsdien vergunnen en concedeeren aan Nicolaas de Kruijff in qualiteit als bij den Edele Hove van Politie aangestelde beheerder en administrateur der effecten van wijlen J: V: Welvaart voor twee derde en nog voor sig self voor een derde eijgenaar van deselven, omme in allodialen eijgendom op te nemen en erffelijk te moogen besitten de nombre van 1000 akkers land geleegen ter wedersijde van de Pararac kreek aan de bovenlijn van ’t land van Joseph de Lachau met een face van 30 kettingen aan ieder sijde, en sulx onder conditien en restrictien als volgt.
(volgen de standaardvoorwaarden)
Aldus gedaan en met ons zegel bekragtigt Pararmaribo desen 6 november 1761
/ was getekend / W: Crommelin
/ onderstond / ter ordonnantie van de heer gouverneur
/ en getekend / G: W: Wittchow gesw: clercq
nevens appositie van ’t zegel van de heer gouverneur in rood lak
accordeert met sijn origineel
G: W: Wittchow gesw: clercq

De resolutie van Haar Edele Groot Achtbaaren de Heeren Directeuren en de Edele Geoctroijeerde Societeit van Suriname in dato 7 april 1762, waarbij hiervoorenstaande warrand werd geapprobeert is op heden aan ons vertoond.
Actum Paramaribo den 27 augustus 1770
/ was getekend / Jan Nepveu
/ onderstond / ter ordonnantie van de heer gouverneur
/ en getekend / Joh: van Gennep gesw: clercq
Accordeert met sijn origineel
Joh: van Gennep gesw: clercq
(geen kaart)

1794 – resolutie uitbreiding Onoribo
Alzoo J: F: Andre & zoon in qualiteit als administreerende de plantagie of houtgrond Onoribo en bijhoorende landen geleegen in de Para creecq, aan ons bij request hebben te kennen gegeeven dat zij door koop eijgenaaren zijnde van de houtgrond genaamd Geertruijda de Hoij geleegen aan de Pararacweg aangekomen hebbende Abr J: J: Wolfahrt, tans aan de plantagie Onoribo geannexeerd.
Dat door een aanhoudende bewerking de landen uijtmakende de plantage Onoribo allenijskens van houtwaaren wierden ontbloot en de supplianten geinformeerd zijn agter bovengem: houtgrond Geertruijda de Hoij een stuk land onbegeeven is leggende ter groote van 500 akkers, waarvan zij door den gesw: landmeter J: G: R: Bohm de bij requeste geannexeerde schetskaart hebben doen formeeren, en zig daarmeede keerden tot ons, met ootmoedig verzoek ’t ons behagen mogte hun ten behoeven van opgemelde plantage of houtgrond de voorz: quantiteijt van 500 akkers agterland met ten face van 60 kettingen diepte van 83 1/3 kettingen te concedeeren, en daarvan te verleenen warrand informa.
Zo is dat wij ’t voorsz: overgemerkt en de positive conform de waarheid bevonden hebbende, alsmeede ingezien de schetskaart door den geswoore landmeeter J: G: R: Bohm in dato 29 maart dezes jaars van ’t voorsz: stuk land gemaakt, mitsdien vergunnen en concedeeren aan J: F: André en zoon in qualiteit als adminstreerende de plantagie of houtgrond Onoribo en bijhoorende landen, omme in allodialen eijgendom op te neemen en erffelijk te mogen bezitten alsmeede aan de houtgrond Gertruijda de Hoij geleegen aan de Pararacweg linkerhand opwaards gaande, [te annexeren] een stuk land linia recta agter deselve kostgrond leggende ter grote van 500 akkers met een face van 60 kettingen en diepte van 83 1/3 kettingen,
ende zulx onder conditien en restrictien als volgt.
(volgen de standaardvoorwaarden)
Aldus gedaan en met ons zegel bekragtigt Paramaribo desen 10 april 1794
/ was getekend / J: F: Friderici
/ onderstond / ter ordonnantie van de heer gouverneur
/ en getekend / A: H: V: Heerdt eerste clercq
nevens appositie van ’t zegel van de heer gouverneur in een witte ouwel met een papiere ruijt overdekt
accordeert met sijn origineel
J: E: van Onna tweede gesw: clercq

meer